Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

18 oktober 2017 | 28 Tishri 5778

Sidrot 5773

Sidrot 5773

 

Wajakhél Pekoedé

Wajakhél Pekoedé

 

Omer

 


Sjemini

Sjo'a

 

 

 Emor

 

Zweren of beloven

 

Sjawoe'ot

 

Naso

 

BeHa'alotcha

 Sjelach Lecha

 Sjelach Lecha

 

Choekat

 Pinchas

Pinchas

Mattot-Masé

 

Dewarim

 

Ekev

 

Reë

 

Ki Tétsé

 

Nitsawim-Wajèlèch

Beresjit

Deze Shabbat lezen wij de verhalen van de schepping van de wereld in zeven dagen, de Tuin van Eden en Kajin en Hèvèl, verhalen die wij allemaal wel zo ongeveer kennen. Ze behoren immers tot onze gemeenschappelijke West-Europese culturele bagage. Dat neemt niet weg dat ik merk dat veel mensen ze niet ècht gelezen hebben. Als je het gevoel hebt dat ik je nu persoonlijk aanspreek, is het misschien tijd een Choemasj, Tenach of een Nederlandstalige Bijbel te pakken en daar de eerste vier hoofdstukken van te lezen.

(..)

Nu wij “onder ons” zijn, mensen die de verhalen ook zelf gelezen hebben, kunnen we eens kijken naar een detail. Wanneer Kajin terneergeslagen of boos is omdat de Eeuwige niet zijn offer, maar wel dat van zijn broer accepteert, zegt God tegen hem (Beresjit [Genesis] 4:6,7):

Waarom wind je je zo op en laat je het hoofd hangen? Is het niet zo dat als je goed handelt, je het hoofd kunt heffen, maar als je niet goed handelt, de zonde voor de deur op de loer ligt, waarvan het verlangen naar jou uitgaat, maar die jij kunt beheersen?.

Zo eenvoudig als de woorden van deze zin zijn, zo ingewikkeld is de interpretatie. Zonde is hier blijkbaar iets dat zich niet in onszelf afspeelt maar, als het ware, van buitenaf komt. Het ligt als een soort roofdier op de loer buiten de deur van onze woning en reageert op ons handelen.

Ik weet niet of dit de manier is waarop wijzelf tegenwoordig zelf naar ons eigen leven kijken. Is de grenslijn tussen goed, en slecht gedrag slechts een dunne lijn zodat wij, eenmaal overgestoken, helemaal opgeslokt zullen worden door het kwaad? Onze moderne tijd staat in het teken van de morele relativering. Wij zijn, mogelijk meer dan men in eerdere perioden was, geneigd de grijstinten tussen goed en kwaad waar te nemen.

Als het verhaal van Kajin en Hèvèl een voorbeeld is, dan is het een voorbeeld dat slecht afloopt. De boodschap in Beresjit 4:7 is echter niet persé negatief. De uitdaging aan ons is om bewust te kiezen voor het goede. Uiteindelijk is de keuze dan een kwestie van zelfbeheersing.

Lech Lecha

Jodendom, zoals wij dat kennen, heeft de wereld van de verstrooiing als centrum en vertelt ons het verhaal over de hoop op terugkeer. De sidra Lech Lecha is de eerste sidra van de Tora waarin de belofte van het land Israël voorkomt. Awraham (dan nog Awram geheten) krijgt de opdracht om weg te gaan uit zijn woonplaats en naar het land toe te reizen dat God hem zal tonen. Daar aangekomen reist hij rond, neemt het land als het ware in bezit. Direct daarop vertrekt hij wegens een hongersnood naar Egypte en keert dan weer terug naar het hem en zijn nakomelingen beloofde land.

Tenach vertelt het verhaal van weggaan en weerkeren steeds opnieuw. Awraham gaat nog een keer naar Egypte. Jitschak gaat naar de Filistijnen, Jozef komt met zijn familie in Egypte terecht. Een groot deel van de profetische boeken van Tenach gaan over de periode rond de Babylonische ballingschap.

Traditioneel zien wij onszelf, na de val van de Tempel in Jeruzalem, als in een staat van diaspora, verstrooiing. De vraag is alleen waar in de golf wij nu zijn. Is dit de tijd definitieve terugkeer? Of zijn wij gewoon ergens in het midden van de verstrooiing en moeten wij geduld hebben? En als dit de eindtijd is, wat is dan de aard van die tijd? Verschillende groepen in het Jodendom beantwoorden die vraag op verschillende manier. De emotie waarmee de antwoorden gegeven worden loopt vaak hoog op.

Onze siddoer neemt een heel duidelijk standpunt in. Israël is “het land waar onze verlossing ontluikt” (blz 335). De siddoer is samengesteld in een tijd waarin vrede in Israël onder handbereik leek en de wereld toe leek te groeien naar een nieuwe eenheid. Mijn hoop voor Israël is in de afgelopen jaren niet kleiner geworden, maar het geloof in de snelle komst van vrede helaas wel. Ik heb daarom soms wat moeite met de zelfbewuste en optimistische woorden van onze siddoer.

Sjabbat wordt in de Talmoed een klein stukje van de Messiaanse tijd genoemd. Het is in die zin een uitdrukking van onze verwachting van, en zekerheid op een goede toekomst.

Wajera

De sidra van deze week vertelt over het bezoek van drie “boodschappers” aan Awraham en over de verwoesting van Sedom en Amora. Hoewel de verhalen verschillend zijn, zijn ze op een bepaalde manier ook verweven. Het verband wordt duidelijk gemaakt door de verbinding van de twee. Awraham vraagt aan de Eeuwige de steden niet te verwoesten wanneer er tien rechtvaardige mensen gevonden kunnen worden. Die zijn er echter niet, alleen maar Lot en zijn familie.

Wanneer Awraham de drie mannen (Twee engelen en God?) ontvangt, loopt hij zijn benen uit zijn lijf om zo goed mogelijk voor zijn gasten te zorgen. Hij wast hun voeten en maakt de lekkerste dingen voor hem klaar: koeken van fijn meel, kaas en vlees (never mind kasjroet, dat komt pas later in Tora, en wat eet zo’n Engel eigenlijk?). Ook Lot is een man die zijn gasten goed wil ontvangen. Hij dringt bij hen aan om vooral niet op het plein in de stad te blijven slapen maar bij hem veiligheid te zoeken. Als zij dat doen, richt hij een feestmaal aan, zegt Tora. Hij geeft ze matza te eten. Lot beschermd zijn gasten tegen de bewoners van de stad, maar niet met zijn eigen leven. Hij biedt de bewoners van de stad zijn dochters aan, om mee te doen wat ze willen. En dan is er nog mevrouw Lot. Hoewel ze de opdracht krijgt niet om te kijken, doet ze dat toch en wordt een zoutpilaar.

Awraham is het toppunt van gastvrijheid, rechtvaardigheid en vertrouwen in Tora. Op een bepaalde manier is hij groter dan het leven zelf. Hij is een voorbeeld om te volgen maar nooit te evenaren. Lot en zijn vrouw daarentegen zijn falende personen. En toch gelden ze als rechtvaardigen, veel beter dan de overige bewoners van Sedom en Amora.

De verhalen vragen van ons niet om zo goed te zijn als Awraham. Een beetje beter dan Lot is ook al heel wat waard.

Toledot

Veruit het meest bekende deel van de sidra van deze week is het verhaal over de manier waarop Ja’akov zijn vader om de tuin leidde om, in plaats van zijn broer Esav, zijn zegen te krijgen (“de stem is de stem van Ja’akov, maar de handen zijn de handen van Esav”). Daarover vrijdag in sjoel meer. Vandaag wil ik ingaan op een detail van een enkel vers uit een verhaal dat hieraan voorafgaat.

Net zoals in de tijd van Awraham, is er hongersnood in het land. Ook Jitschak gaat naar Awimelech, de koning van de Filistijnen. Uit het land Israël gaan en er weer inkomen is een belangrijk thema in Tora, mede benadrukt doordat God gewoonlijk aan de aartsvaders verschijnt wanneer zij de grens passeren. Ook hier verschijnt God aan Jitschak en geeft hem nogmaals de belofte die eerder aan Awraham is gegeven: zijn nageslacht zal talrijk zijn en het land beërven. Dat zal gebeuren “omdat Awraham naar mijn stem geluisterd heeft en behoed heeft wat ik aan zijn hoede had toevertrouwd: mijn geboden, mijn wetten en mijn leringen (Torotaj)” Beresjit [Genesis] 26:5. Torotaj betekent letterlijk “mijn Tora’s” in het meervoud.

En nu is er een probleem. Want welke geboden, wetten en leringen heeft Awraham dan gehouden? De Tora wordt pas veel later gegeven, welke wetten kende Awraham dan?

Alle klassieke commentaren houden zich met dit onderwerp bezig. De meest conservatieve interpretatie is om alleen datgene dat we specifiek van Awraham en zijn daden weten te verdelen over de woorden van het vers. Awraham luisterde bijvoorbeeld naar de Eeuwige toen hij hem vroeg om op weg te gaan, weg uit het land van zijn ouders. Hij deed ook wat God opdroeg door op de achtste dag zijn zoon te besnijden. Een beetje mager zo in verhouding met de lof die hij door God krijgt toegezwaaid. De meest vergaande interpretatie is dat Awraham alle wetten in acht nam, en zelfs zo dat hij niet alleen deed wat letterlijk in de Tora zou komen te staan, maar ook de mondelinge leer, zoals die later door de Rabbijnen zou worden ontwikkeld. Zoals dat in de midrash bundel Bereshit Raba staat: Zowel de schriftelijke als de mondelinge Tora.

Kende Awraham alle wetten van de Tora? Ik zou het niet weten. Kennen wij alle wetten van Tora? Hoewel we de Tora wel beschikbaar hebben, geldt voor de meesten van ons (ikzelf zeker niet uitgezonderd) dat wij moeilijk kunnen claimen alle regels te kennen. De regels, de uitzonderingen en de details van de gebruiken zijn vaak ook wel erg ingewikkeld. Ik vermoed dat er ook mensen zijn die niet eens beginnen aan de regels van Tora, onder het motto dat, als je er niet aan begint, je het ook niet fout kan doen.

Voor mij is dat de les uit dit ene zinnetje van de Tora. Hoewel Awraham maar heel weinig wist van de details van de wetten, slaagde hij er toch in zich te houden aan datgene dat de Eeuwige echt belangrijk vindt. Misschien helpt de Eeuwige je wel verder, als je eenmaal besluit op weg te gaan?

Wajisjlach

Ja’akov heeft jarenlang bij zijn oom Lawan gewoond. Nu is hij op de terugweg naar zijn geboortegrond. Hij weet dat Esav, de broer die hij zijn eerstgeboorterecht en de zegen heeft ontfutseld, hem tegemoet reist. Wanneer hij zijn gezin de rivier Jabok heeft overgezet (in het Hebreeuws dezelfde letters als Ja’akov, andere volgorde) blijft hij alleen achter. Hij strijdt met God of een engel tot de ochtend. Wanneer de strijd is afgelopen, is Ja’akov beschadigd en heel tegelijk. Bij het aanbreken van de dag blijkt Ja’akov te hinken. Wanneer hij aankomt in Shechem, wordt echter van hem gezegd dat hij Sjalém is, volledig.

Veel commentaren, zowel oudere als meer moderne, weten dat het gevecht van Ja’akov op de een of andere manier een gevecht met zichzelf is. Met zijn eigen angst bijvoorbeeld, omdat Esav misschien wel een beter iemand is dan hij. Esav is immers bij zijn ouders, in het Beloofde Land gebleven, Ja’akov is weggegaan. Of misschien strijdt hij wel met de Esav in hemzelf, de man met de dubbele tong? De verhalen die Tora over Ja’akov vertelt, zijn geen heldenverhalen. Als we de verhalen lezen, kijken wij als het ware door een caleidoscoop, wij zien steeds dezelfde elementen, steeds weer op een andere manier gerangschikt. Degene die aan de caleidoscoop draait, zijn wijzelf.

Misschien is het gebed van Ja’akov wel de sleutel van het verhaal. Wanneer hij gehoord heeft dat Esav hem tegemoet reist met een leger van vierhonderd man, splitst hij zijn eigen gezelschap in twee delen. Mocht één deel vernietigd worden, dan kan het andere deel vluchten. Daarna bidt hij tot God en beschrijft zijn eigen situatie. “Te gering ben ik voor alle bewijzen van liefde en trouw die U uw dienaar bewezen hebt. Met alleen mijn stok ben ik deze Jordaan overgetrokken, nu ben ik tot twee groepen geworden” (Beresjit [Genesis] 32:11). Op de vlucht voor zijn broer, op weg naar oom Lawan had Ja’akov niets dan de kleren aan zijn lijf en de stok in zijn hand. Nu heeft hij Kol, "alles" (33:11). Ja’akov begin zijn leven als een Iesj Tam, een eenvoudige of ingetogen man die in tenten woont (25:27). Nu is hij een rijke man met een groot gezin, ruzie met zijn broer en oom, met een vrouw die hij lief heeft en één die hij haat. Hij is het contact met zijn ouders kwijt maar net als zijn vader eerder trekt hij een zoon voor en negeert de anderen. Hij mag dan alles hebben, onderweg is er blijkbaar ook iets verloren gegaan. Hij is, als het ware, zelf in meerdere kampen verdeeld.

Slaagt Ja’akov erin in de strijd in de nacht zijn eigen integriteit te herstellen? Dat is maar de vraag. Aan het eind van de strijd is er een soort patstelling, beiden houden elkaar vast, niemand heeft gewonnen. Het was donker, maar de volgende morgen noemt Ja’akov de plaats van het gevecht Pniël, Gods gezicht. Hoe ziet God er uit in de ogen van Ja’akov? Misschien wel zoals Esav: “Ik zag jouw aangezicht als het aangezicht van God” (33:10). Maar Ja’akov is wel getekend door de strijd. Vanaf nu heet hij Israël, hij die met God streed (32:29).

Ons leven is misschien wel zoals dat van Ja’akov. Vanaf ons kind-zijn naar de volwassenheid wordt wat gewonnen en wat verloren. Jodendom streeft niet naar een leven in totaal evenwicht, want evenwicht is stilstand. Het leven is een zoektocht. Soms betekent dat ook dat wij rivieren moeten oversteken of vechten met onszelf. Wij zijn onze hele geschiedenis, alles dat ons is overkomen. Het is zowel de reis als het gevecht die ons werkelijk maken wie we zijn.

Wajésjev

Ik heb wel eens de claim gehoord dat Tenach het prototype is van alle Westerse literatuur. Wanneer je het Joséf verhaal leest, met zijn thema’s van liefde, intrige en jaloezie dan is daar wel wat voor te zeggen. Deze week lezen wij de eerste helft van het verhaal waarin wij Joséf tegenkomen als een verwend kereltje met vervelende gewoonten, zoals roddelen over zijn broers. Aan het eind van het verhaal is hij een man geworden die verantwoordelijkheid kan dragen voor heel Egypte (kom daar nu eens om). Ook zijn broers hebben leren leven met de ervaring dat Joséf niet zomaar een opschepper is, maar ook echt een bijzondere persoon.

Dromen komen in dit verhaal altijd in tweeën en komen altijd uit. Er zijn de twee dromen van Joséf, één met schoven, één met sterren. De schenker en de bakker dromen ieder een droom, ieder met een beeld uit hun vak. De één droomt van wijnranken, de ander van manden met brood. De Farao droomt ook twee keer, één maal over koeien, andermaal over korenaren. De dromen van Joséf worden niet uitgelegd door hemzelf, maar door zijn broers en vader. Ze zijn niet blij met de boodschap van superioriteit die er volgens hen in verstopt ligt. Hebben ze het echt begrepen? De bakker, de schenker en de Farao krijgen ieder te horen dat het alleen God is die dromen uitlegt, Joséf is niet meer dan een doorgeefluik. Aan het eind van de uiteg voegt hij wel steeds iets toe. De schenker vraagt hij om hem zich te herinneren en om vrijlating te vragen aan de Fara’o. De Fara’o krijgt een ongevraagd advies en, zoals iedere goede consultant doet, is in dat advies ook een rol voor Joséf zelf verscholen.

Is dit een verhaal of echte geschiedenis? Voor mij is dit een verhaal dat ons van alles wil vertellen over de relatie tussen God en mens. Het is een verhaal met meerdere lagen waarin Joséf tot grote hoogte komt, in het huis van zijn vader, bij Potifar en bij de Fara’o, maar ook meerdere keren diep daalt, in de put waarin zijn broers hem stoppen en ook in de gevangenis in Egypte. En vergeet niet dat, in het Hebreeuws het verlaten van het land “afdalen” wordt genoemd. Zelf als je de onderkoning van Egypte bent, ben je dus diep gedaald. (Voor de goede orde, naar het land Israel gaan is opgaan, Alija dus).

Het is een verhaal waar wij hoop uit kunnen putten. Gods hand is altijd zichtbaar in het verhaal en er is een doel, zelfs als het zich aan ons oog onttrekt. Wij leggen het niet uit, alleen God weet de betekenis. Er is misschien ook wel reden om te dromen, neergaan is in dit verhaal nooit definitief en houdt altijd de belofte van opgaan in.

Wajechie

Wat is de verbinding tussen de Tora en voedsel? Helemaal aan het begin van de Tora wordt ons verteld over de boom van Kennis van Goed en Kwaad midden in de Tuin van Eden. Het is een merkwaardige boom, want kennis van Goed en Kwaad lijkt iets positiefs en nastrevenswaardigs te zijn. Nochtans werd het de mens verboden ervan te eten. Zoals jullie allemaal weten is datt wel gebeurd en zitten wij met de brokken van deze gebeurtenis.

Zoals waarschijnlijk wel bekend, is het idee dat het om een appel zou gaan pas later ontstaan. De Tora spreekt gewoon van “de vrucht”, zonder deze te benoemen. De Talmoed (Berachot 40a) vraagt zich natuurlijk af wat dit dan voor vrucht zou moeten zijn en geeft verschillende antwoorden. Volgens rabbi Meir moeten het druiven zijn geweest want “niets geeft meer ellende dan wijn”. Misschien bedoelt rabbi Meir wel dat het gaat om een boom van verwarring van Goed en Kwaad.

De relatie tussen goed en kwaad is ook de achtergrond van de mening van rabbi Nechemja, die denkt dat het om de vijg gaat. Nadat de mensen van de vrucht gegeten heeft, weten zij dat zij naakt zijn en gebruiken zij een vijgenblad om zich te bedekken. Er is dus niets inherent verkeerds aan de boom van kennis, het is maar wat je er mee doet.

Rabbi Jehoeda denkt dat het om graan gaat. Hij zegt dat kinderen pas als zij de smaak van graan hebben geproefd, in staat zijn om hun papa en mama te roepen. De kennis om graan te kweken en brood te bakken is de basis van de menselijke beschaving die zonder taal niet mogelijk is. Voor rabbi Jehoeda is de kennis blijkbaar op zich iets goeds. Het stelt ons in staat om ons met elkaar te verbinden.

Er zijn nog meer meningen over de aard van de boom. De Midrasj (Midrasj Raba Beresjit 15:7) geeft de uitspraak dat de Eeuwige de aard van de boom nooit bekend zal maken. Deze boom is, zonder eigen schuld, slecht bekend geworden en moet niet beschaamd gemaakt worden.

Sjemot

De sidra van deze week is de eerste uit het boek Sjemot (Exodus). Het verhaal over de slavernij in Egypte, de wonderlijke jonge jaren van Mosjé en zijn eerste ontmoeting met de Eeuwige maken deel uit van deze sidra.

In Sjemot 2:11 wordt ons verteld dat Mosjé, opgegroeid aan het hof van Farao, zijn familie bezoekt en hun lijden ziet. Het is de inleiding tot het verhaal over de vechtpartij van de Joodse en Egyptische man die de aanleiding vormt voor de vlucht van Mosjé naar Midjan. Pas later, nadat het verhaal van de vlucht volledig verteld is, lezen wij dat God het roepen van het volk hoorde en zich het verbond met de aartsvaders herinnerde (Sjemot 2:24). Heeft God echt veertig jaar méér nodig dan Mosjé om tot de conclusie te komen dat het lijden van het volk onaanvaardbaar is?

Er zijn natuurlijk traditionele antwoorden. Het meest simpele is dat God pas in actie kwam na verloop van de vierhonderd jaar ballingschap die nu eenmaal als periode vastgesteld was (Zie Beresjit 15:13). Maar moeten wij ons God echt voorstellen als doof en blind voor het lijden, met alleen oog voor de kalender en het Grote Plan?

Een mogelijke oplossing is dat we de volgorde van de verhalen anders lezen. Zou het zo kunnen zijn dat de twee gebeurtenissen samenvallen? Het verhaal over de slavernij en onderdrukking in Egypte begint met de woorden “Er stond een nieuwe Farao op over Egypte die Josef niet gekend had” (Sjemot 1:8). In Sjemot 2:23, voorafgaand aan het vers waarin gezegd wordt dat God het roepen hoort, staat “In deze lange tussentijd was de koning van Egypte gestorven”. In Talmoed wordt gesteld dat er geen “vroeger of later” is in Tora (Pesachim 6b). De verhalen worden niet altijd in chronologische volgorde verteld. Misschien is het de Farao van Joséf die stierf en valt het horen van God wel samen met de onderdrukking door de nieuwe Farao. Misschien is juist de geboorte van Mosjé wel de uitkomst van God’s horen.

Maar waarom wordt het verhaal dan in deze volgorde verteld? Waarom wordt ons eerst verteld dat Mosjé het lijden ziet en dan pas dat God het roepen hoort? Voor ons blijft natuurlijk de centrale vraag hoe het kan dat God het lijden van de mens kan aanzien zonder in aktie te komen. Voor ons, degenen die leven in de slagschaduw van de Sjo’a, is dat een vraag die altijd op de achtergrond speelt en waarop geen werkelijk goed antwoord te geven is. Misschien wil Tora ons duidelijk maken dat wij pas kunnen vertellen over de Eeuwige wanneer wij eerst vertellen over mensen, zoals Mosjé, die het lijden van hun medemens zien en besluiten in actie te komen. De Eeuwige heeft mensen nodig om Zijn werk te doen.

 

Waéra

Er is in Tora een ingewikkelde relatie tussen Egypte en het paradijs. Beiden zijn landen die bevloeid worden door rivieren en beiden zijn plaatsen waar het in principe prettig is om te wonen. Het verhaal van de tien plagen lijkt ook wel erg op een ont-scheppingsverhaal, waarbij het water, het licht, het uitspansel en de dieren van het water, de lucht en het land er alles aan doen om de wereld onleefbaar te maken, met de dood van de eerstgeborenen als climax. In het paradijs heeft de slang het voor het zeggen, de slimste onder de dieren, waartegenover de naakte mens geen verweer heeft. In Egypte is het de Farao. (Zie ook Bereshit [Genesis] 13:10)

In onze sidra lezen we het eerste deel van het verhaal van de tien plagen. Het verhaal geeft een inkijkje in de politieke cultuur van het Nabije Oosten, drie millennia geleden. De rol van de tovenaars aan het hof is het meest hilarisch. Aan het begin worden zij erbij geroepen om aan te tonen dat, bijvoorbeeld, het veranderen van een staf in een slang niet zo’n groot wonder is. Ze doen dat door het kunstje na te doen. Bij de eerste paar plagen doen ze het zelfde. Ze tonen aan dat ze ook water kunnen veranderen in bloed en dat ze ook een plaag van kikvorsen kunnen laten ontstaan. Je kunt je afvragen of de bevolking van Egypte wel erg onder de indruk was zou zijn van de kunsten van hun tovenaars. Misschien hadden ze zich meer populair gemaakt als ze de plagen hadden weten te bestrijden in plaats van ze erger te maken.

Ondertussen volhardt de Farao in zijn beslissing het volk niet te laten gaan. Het is lastig je voor te stellen dat de Farao na een aantal plagen nog echt zelf gelooft dat dit allemaal goed voor hem gaat aflopen. Zou hij raadgevers hebben gehad die hem alleen maar naar de mond praatten? In het verhaal wordt verteld dat de Eeuwige het hart van de Farao heeft verzwaard waardoor deze, eenmaal op zijn verkeerde weg, niet meer weet hoe hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hoe moeten wij ons deze Farao voorstellen? Als de Farao nu zou hebben geleefd, zou hij misschien op televisie zijn verschenen en met een stalen gezicht een geruststellende boodschap hebben afgegeven over de inmenging van buitenaf die hij zou kunnen weerstaan als het hele volk achter hem zou blijven staan. Er lijkt toch niet veel veranderd in al die duizenden jaren.

Besjalach

“En winnen de handen van Mosjé dan een oorlog?” vraagen de commentaren op de sidra Besjallach. In deze sidra wordt verteld dat Jehosjoe’a de strijd moet aangaan met de Amalakieten. Mosjé moet tegelijkertijd de berg opgaan, samen met Aharon en Choer. Tora schrijft dat, zolang Mosjé zijn armen in de lucht hield, Israël won. Wanneer hij zijn armen liet zakken, won Amalek. Omdat Mosjé het niet volhield om zijn armen hoog te houden, lieten Aharon en Choer hem op een steen zitten en hielden zijn armen omhoog tot de avond viel en de strijd beëindigd was (Sjemot [Exodus] 17:8 e.v.).

In Tora is Mosjé de middelaar van veel wonderen. Hij slaat met zijn stok op de Nijl om er bloed van te maken, op het water van de Schelfzee om deze te splitsen en op een rots om er water uit te laten komen. Maar dit wonder is de commentatoren blijkbaar te gortig. Als het alleen van de stand van Mosjé’s armen afhangt of de strijd wordt gewonnen of verloren, zijn wij niet meer in het domein van God’s wonderen maar in magie aangeland. Bij magie staat de menselijke handeling centraal en verliest God Zijn autonomie. Hij heeft maar te volgen wat mensen van Hem (of Haar) willen.

De commentaren geven verschillende oplossingen. Pesikta Zoetra zegt bijvoorbeeld dat het er om gaat dat Mosjé met zijn armen het volk wijst op de juiste intentie. Wanneer Israël zich richt op de Hemel, wint het, richt het zich alleen maar op het aardse, dan gaat het mis. Anderen (bv. Rabbi Jitschak ben Josef Caro) zien in het omhoogsteken van de armen een gebaar van gebed. Zolang Mosjé bidt, gaat het goed. Of dit een oplossing is voor het probleem vind ik twijfelachtig. Wordt bidden dan niet net zozeer een magische handeling?

Ik probeer mij in Mosjé te verplaatsen en vraag mij af of hij zijn armen, al is het maar even, zou hebben laten zakken? Of zou hij gedacht hebben “blijkbaar werkt dit, het gaat goed daar beneden. Laat ik dit maar zo lang mogelijk volhouden…”

De sidra die volgt op onze tekst is Jetro. In die sidra ziet Jetro, de schoonvader van Mosjé, dat deze bezig is overwerkt te raken. Hij geeft hem de goede raad om niet alle vragen van het volk zelf te beantwoorden maar helpers aan te stellen om zijn taak te verlichten. We kunnen het gebaar van het opsteken van de armen misschien ook wel lezen in dat licht, als een metafoor van leiderschap. Om het vol te houden, heeft Mosjé anderen nodig. Jehosjoe’a voert de strijd op de grond. Aharon en Choer zijn (bijna letterlijk) Mosjé’s linker en rechterhand. Mosjé als leider van de gemeenschap kan eenvoudigweg zijn armen niet laten zakken.

Jitro

Er wordt vaak gezegd dat de Tora haar definitieve vorm heeft gekregen in, of vlak na, de tijd van de Babylonische ballingschap (588-538 voor de gewone jaartelling). Of dat zo is, is niet meer heel goed na te gaan. Wel is een feit dat Tora veel te zeggen heeft over wat het betekent om buiten het Land Israël te zijn, onderweg daar naartoe. Veruit het grootste deel van het verhaal van Tora speelt zich af buiten het land Kanaän. Het perspectief van Tora is vaak “van buiten naar binnen”. Het is een boek dat nadruk legt op de belofte van de Eeuwige om het land te beërven. Er spreekt een hunkering uit om eindelijk thuis te komen.
</p>
<p>Tegelijkertijd zegt het boek veel over wat het betekent om in de galoet, buiten het Beloofde Land, te zijn. Omdat wij nu eenmaal ons leven in deze (koude en natte) streken slijten, zijn dit woorden die tot ons gericht lijken te zijn.</p>
<p>De Tora is aan Mosj&eacute; gegeven op de berg Sina&iuml;, buiten het beloofde land. Dat is niet toevallig. Het benadrukt de universaliteit van de opdracht van Tora. Hoewel een deel van de wetten alleen bedoeld zijn voor het leven in het land, verliest de Tora niet aan kracht, alleen maar omdat wij niet in het land leven. </p>
<p>De namen van de sidrot zijn lang na de totstandkoming van de Tora bedacht. Gewoonlijk is het een woord uit de eerste zin van de sidra, soms met meer, soms met minder relatie met de inhoud van de sidra zelf. Deze sidra die de gebeurtenissen bij de berg Sina&iuml; beschrijft, het belangrijke moment waarop de Eeuwige zich aan het hele volk openbaart, is genoemd naar Mosj&eacute;&rsquo;s niet-Joodse schoonvader, Jitro.</p>
<p>Of je nu in, of buiten Isra&euml;l woont, of je leeft in een volledig Joodse omgeving of je Jodendom wilt beleven in de gemengde maatschappij die in Nederland gewoon is, Tora heeft iets om je te vertellen. In de woorden van Sjemot [Exodus] 20:21:<em> Op iedere plaats waar Ik Mijn naam zal laten gedenken, zal Ik tot je komen en je zegenen</em>

Misjpatim

Stel, je leent je splinternieuwe iPad uit aan je meest favoriete buurman of buurvrouw. Je hebt je nog niet omgedraaid of je hoort een harde klap: daar ligt je iPad, precies op een hoek terecht gekomen op een hardstenen vloer. Je kunt zo wel zien dat het ding het niet heeft overleeft. Triest.

Het probleem is natuurlijk dat niet alleen de iPad ernstig is beschadigd, maar ook de relatie met deze meest favoriete buurpersoon. Om die weer goed te krijgen, moet er iets opgelost worden. Je kunt natuurlijk in een goed gesprek proberen uit te vinden wie er nu moet opdraaien voor de kosten van de iPad, maar je kunt ook zoeken naar een onbevooroordeelde, neutrale regel, de Joodse bijvoorbeeld. Als jullie daar allebei de autoriteit van aanvaarden, kan dat helpen de relatie weer vlot te trekken.

De sidra van deze week, Misjpatim, bevat een aantal regels voor situaties waarin mensen iets van elkaar lenen of huren. Vanaf Sjemot [Exodus] 22:6 wordt gesproken over verschillende gevallen. Gaat het om een dier of voorwerp dat in bewaring is gegeven? Of is het door iemand van je geleend om te gebruiken? Of heb je het dier of het voorwerp verhuurd, voor de opbrengst? Was je er zelf bij? Kon de bewaarder/lener/huurder voorkomen dat er iets mis ging? Tora geeft een opsomming van concrete situaties.

De wetten in de Tora gaan over een overzichtelijke, kleine, landbouwmaatschappij. Al snel werd er behoefte gevoeld om de regels te veralgemeniseren en te systematiseren. De paar regels in Tora zijn de basis voor een uitgebreide literatuur over schaderecht.

Omdat het toch wel een goed idee was om meer tijd te besteden met je favoriete buurpersoon en het uitlenen van je tablet niet helemaal werkte zoals je gehoopt had, zou je samen met deze persoon wat Talmoed kunnen lezen. Je komt dan uit bij Baba Metzia 93a en b. Je schaft natuurlijk eerst een nieuwe tablet aan. Op deze nieuwe tablet kun je de Talmoed bijvoorbeeld hier vinden: http://www.sacred-texts.com/jud/t06/me206.htm. Zoek maar even naar Mishna VII.

Ki Tisa

Hoe tel je een minjan? Ik bedoel niet: “wie telt er mee”. Dat is bij ons duidelijk geregeld. Bij ons in sjoel tellen alle mensen die voorbij de bar en bat mitswa leeftijd zijn endie Joods zijn. Dat wil zeggen, die lid zijn of kunnen worden van onze gemeente. De vraag die ik bedoel is: welke manier van tellen hanteer je?

Het is deel van de Joodse traditie dat je geen Joden telt, althans niet rechtstreeks. Maar omdat je toch moet weten of je een minjan in huis hebt of niet, zijn er verschillende trucs in omloop om te tellen-zonder-te-tellen. Ik geef er hier een paar die ik ben tegengekomen.

De mooiste en meest sjieke is het gebruik van een regel uit Tenach met tien woorden. Bijvoorbeeld (Tehilim[Psalm] 28:9): הוֹשִׁיעָה אֶת עַמֶּךָ וּבָרֵךְ אֶת נַחֲלָתֶךָ וּרְעֵם וְנַשְּׂאֵם עַד הָעוֹלָם. Deze regel wordt wel vaak gebruikt, mogelijk ook wegens de mooie betekenis: “Red het volk dat u toebehoort, zegen het, wees zijn herder en draag het voor eeuwig”. Misschien ook omdat het woord “dragen” er in voorkomt, dat weer verwijst naar onze sidra waar ook over tellen gesproken wordt.

Wanneer het leren van een Hebreeuwse zin je wat te ingewikkeld is, is een wat meer triviale methode het heel nadrukkelijk niet tellen: “niet één, niet twee, niet drie…”. En de meest directe manier die ik ken, heb ik van iemand geleerd die mij uitlegde dat hij geen mensen telde, maar “tochussen”, achterwerken dus. Maar of dat helemaal volgens de halachische regels is, weet ik niet zeker.

Het verbod om zo maar mensen te tellen gaat terug op een tekst uit onze sidra. Aan het begin van Ki Tisa wordt uitgelegd dat als je het volk wilt tellen, je dat moet doen door alle volwassen mannen een halve sjekel te laten betalen. Deze halve sjekel heeft een dubbele functie. Op de eerste plaats kun je dan natuurlijk de munten tellen in plaats van de mensen. De munten op zich vormen echter ook een offer waarmee het tellen zelf wordt afgekocht.

Wat is de achtergrond van het verbod om te tellen? In de Talmoed (Joma 22b) wordt het in verband gebracht met de belofte van de Eeuwige aan de Aartsvaders en de profeten dat het volk zo ontelbaar zal zijn als het zand van de zee en de sterren van de hemel. Je hoort de belofte van God niet te controleren, je moet er op vertrouwen dat deze wordt ingelost. En als het nu dan nog niet zo is, dan in de toekomst. Het is misschien wel vergelijkbaar met het verbod op waarzeggerij. Tenach zegt niet dat waarzeggerij niet bestaat, maar dat je je er niet mee in moet laten. Ook hier gaat het erom dat je gewoon vertrouwen moet hebben in de toekomst, wat er ook komen gaat.

Voor wat betreft het tellen van het minjan heb ik het makkelijk. Gelukkig heb ik altijd een ruime hoeveelheid mensen is sjoel en hoef ik nooit te tellen. Dat geeft groot vertrouwen.

Nieuws

De Rabbijn legt uit: Betekenis ... Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: koninklijke onderscheiding Bram & Yvonne Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Oneg Sjabbat 2017 Lees meer >>

oktober

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31