Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

18 oktober 2017 | 28 Tishri 5778

Sidrot 5770

Sidrot 5770

 

Sjemot
Waéra
Jetro
Misjpatim
Wajakhel-Pekoedé
Tsav
Sjemini
Acharee Mot-Kedoesjim
Behar-Bechoekotai
Bemidbar
Sjelach Lecha
Korach
Balak
Pinchas
Ekev
Reë
Sjoftim
Ki Tawo

 


Sjemot

Met de sidra Sjemot zijn wij aangekomen bij het tweede boek van de Tora. In de sidra wordt verteld over de geboorte van Mosjé, zijn vlucht naar Midjan en zijn roeping bij het brandende braambosje. Het stuk dat wij deze week zullen lezen (van af Sjemot[Exodus] 4:18) gaat over de tocht terug uit Midjan naar Egypte en de eerste oproep aan de Farao om het volk te laten gaan.

 De zwaarste taak van de Joden in Egypte was blijkbaar het maken van ‘tichelstenen’,  zongedroogde, lemen stenen. Wanneer Mosjé en Aharon de Farao hebben aangesproken, reageert deze door de taak van het volk nog zwaarder te maken. Ze moeten zelf het stro zoeken om in de stenen te verwerken. Het resultaat van de strategie van de Farao is dat de leiders van het volk zich tegen Mosjé en Aharon keren. Aan het eind van het hoofdstuk vragen ze God om Mosjé en Aharon te straffen omdat ze het volk een slechte naam bezorgen bij de Farao. Tenach heeft een goed oog voor de sociale dynamiek van een onderdrukte groep. Door ons dit verhaal te vertellen, maakt het duidelijk dat we in iedere situatie solidair moeten blijven met ons eigen volk en moeten onderscheiden wie de echte vijand is.

Waéra

Deze week lezen wij de sidra Waéra. De sidra begint met een herhaling van het verbond tussen God en Israël en vervolgt met een gedeeltelijke stamboom van Mosjé en Aharon. Het grootste deel van de sidra bestaat uit het verhaal van de eerste zeven plagen. De tekst van de plagen is bijzonder van opbouw. Vergelijkbaar met het scheppingsverhaal is de grote regelmaat en het steeds opnieuw gebruiken van bepaalde tekst-elementen, haast als een formule. Echter, anders dan in het scheppingsverhaal blijft hier het verhaalkarakter overeind. De Egyptische tovenaars spelen bijvoorbeeld een rol als een soort clowns die steeds opkomen om iets doms uit te halen. Bij de eerste plagen zijn ze in staat het wonder te imiteren. Het resultaat is echter dat ze alleen maar een bijdrage leveren aan de ellende. Pas bij de derde plaag wordt het hen duidelijk dat ze het wonder wel kunnen imiteren, maar niet kunnen stoppen en aanvaarden ze de Goddelijke oorsprong van de plaag. De vierde plaag is hen zozeer tot last, dat ze niet meer bij Mosjé en Aharon kunnen blijven staan.

God wordt in Tenach en in onze gebedsteksten vaak “de Heer der Heerscharen” (Adonaj Tseva’ot) genoemd. “Heerscharen” is een oud-Nederlands woord voor legermacht. De associatie in veel teksten is met de Engelenscharen of met de sterren aan de hemel als helpers van God. In deze sidra wordt de term echter heel anders gebruikt. In Sjemot [Exodus] 6:26 staat dat het volk ‘naar hun heerscharen’ Egypte zal verlaten (al tsawa’otam). Hier is het volk dus de legermacht van God, niet de Engelen of de sterren. De paradox is dat het een legermacht is die bestaat uit een verzameling net vrijgemaakte slaven. De echte macht van God ligt hier in de hulp die wij, mensen Hem als Zijn voetvolk kunnen bieden, zelfs als wij ons soms onmachtig voelen om die taak te vervullen.

Jetro

De Sidra van deze week is Jetro. In deze Sidra geeft Mosjé’s schoonvader hem goede raad voor het inrichten van het bestuurlijke systeem en lezen we over het geven van de tien geboden. In het Jodendom spreken we vaak van de ‘Tien Woorden’ (Asèrèt ha-Dibrot). De meeste zijn negatief gesteld en dus eerder verboden dan geboden.

Vanwege het belang van het onderwerp is er over deze Sidra natuurlijk heel veel gezegd. Ik zal mij in dit commentaartje beperken tot wat gewoonlijk het derde gebod wordt genoemd (de indeling varieert per religieuze stroming, maar dat is een ander onderwerp). Het gaat om het verbod om God’s naam ijdel te gebruiken. In de niet-Joodse wereld hoor ik dat vaak uitgelegd als de bron van het verbod op vloeken.

De tien geboden gaan voor het grootste deel over ‘zware’ thema’s die met leven en dood te maken hebben. De meesten van ons worden gelukkig niet van dag tot dag geconfronteerd met dit soort keuzes, wel met de opvoeding van de kinderen om ons heen. Ik denk dat het ‘verengen’ van het gebod tot de sfeer van het onheuse taalgebruik meer in dat licht moet worden gezien.

 Onze commentatoren zeggen dat het ijdel gebruik van Gods naam (het gebruik om niets) te maken heeft met het zweren van eden of het doen van beloften zonder betekenis. In onze traditie wordt het zweren van een eed zeer serieus genomen. Een eed of gelofte is een contract met God. Gods naam ijdel gebruiken betekent iets beloven zonder het te willen uitvoeren. Denk daarbij aan leugenachtige handelspraktijken of corrupte rechters. Gods naam om niets gebruiken kan grote gevolgen hebben, niet alleen voor de relatie met de Eeuwige, maar ook voor die met onze medemens.

Misjpatim

Deze week is Sjabbat Sjekalim, waarover jullie tijdens de dienst meer horen. Wij lezen de Sidra Misjpatim. Het eerste deel van het boek Sjemot [Exodus] bestaat uit verhalen over de uittocht. De rest van het boek bevat wetten en opdrachten van God, verweven met verhalen. Wij starten deze week met lezen nadat Mosjé de tien geboden heeft gekregen. God leert hem verschillende regels die de basis vormen van de rechtspraak. Aan het eind van de Sidra wordt de verhaallijn van het begin weer opgenomen. Mosjé bestijgt de berg om daar 40 dagen te blijven.

In vers 23:2 staat: “Je zult de meerderheid niet volgen in het kwaad; bepaal je antwoord in een rechtsgeding niet door van je eigen mening af te wijken, teneinde de meerderheid volgend, het recht te buigen”.

De Hebreeuwse zin is nog ingewikkelder dan de bovenstaande vertaling en laat meer interpretatiemogelijkheden toe. De Talmoed (Sanhedrin 2a) gebruikt een specifieke interpretatie van deze zin bijvoorbeeld voor twee procedurepunten. Het gaat dan om het behandelen van rechtszaken waarbij een lijfstraf kan worden opgelegd. Een rechtbank voor lijfstraffen bestaat volgens de Talmoed altijd uit meerdere rechters.

De Talmoed vindt in de zin een bewijs dat een straf niet met een meerderheid van één persoon moet worden opgelegd (“volg de meerderheid niet in het kwaad”). Één stem verschil is wel genoeg om iemand vrij te spreken.

Het tweede deel van de zin bevat het woord “Rav”. In de gewone vertaling is dat in deze zin “rechtsgeding”. De Talmoed leest hier echter “Belangrijk persoon” en leert ons dat als je een beslissing neemt met een groep, het belangrijk is om eerst de mensen met de minste status hun mening te laten geven om te voorkomen dat de rest van de aanwezigen de persoon met het hoogste aanzien gaat napraten.

De uitleg van de Talmoed geeft een wijze les. Vaak volgt Rasji, onze middeleeuwse Tora-commentatoor, de interpretatie van de Talmoed. Hij legt in dit geval uitvoerig uit wat de Talmoed zegt en sluit dan met woorden die nu nog even geldig zijn als in zijn tijd: “Wanneer je booswichten ziet die het recht verdraaien, zeg dan niet ‘omdat ze met velen zijn, draai ik maar met hen mee’ “. 

Wajakhel-Pekoedé

We lezen deze week de gecombineerde sidrot Wajakhel-Pekoedé, de laatste sidrot van het boek Exodus. Het begin van het boek is vooral de vertelling van de uittocht uit Egypte, de tweede helft bevat de voorschriften en de bouw van de Misjkan, het draagbare heiligdom. Mosjé krijgt instructies, geeft deze door aan het volk, er wordt materiaal verzameld, de delen van de Misjkan worden gemaakt, naar Mosjé gebracht en in elkaar gezet. De kohanim worden aangekleed en gezalfd. We krijgen zelfs een resumé van de kosten van het geheel.

De beschrijving van de Misjkan wordt vaak gelezen als een prototype van de tempel in Jerusalem. Er is echter een belangrijk verschil tussen die twee. De Tempel in Jerusalem was een permanente, stenen structuur. De Misjkan was een “flexibele” structuur, grotendeels gemaakt van lappen, dierenvellen en hout. Het kon uit elkaar worden gehaald en elders worden opgebouwd, aangepast aan de plek waar het kwam te staan.

Het verhaal van het Jodendom begint met Awraham die weggaat uit Oer, om zijn leven op te bouwen op een plaats die God hem zal wijzen. De essentie van het Jodendom is, dat het een draagbare, verplaatsbare godsdienst is. De Misjkan is misschien wel op de eerste plaats een belangrijk symbool. Het  toont de vraag die God aan ons stelt om, waar wij ook heengaan, ons Jodendom een plaats te geven die past bij datgene wat we daar aantreffen.

Tsav

Deze Sjabbat lezen we de sidra Tsav, de tweede sidra van het boek Wajikra. Het boek Wajikra bestaat voor het grootste deel uit regels voor de offerdienst, deze sidra behandelt eerst verschillende soorten offers (brandoffer, inwijdingsoffers, meeloffers etc.) en daarna het ritueel van de wijding van Aharon als eerste Hogepriester.

Rabbi Shmuel Herzfeld ( http://www.rabbishmuel.com/) start met de vraag waarom, in vergelijking met de andere boeken van Tora, het boek Wajikra zo saai is. Hij antwoordt door uit te leggen dat een interessant leven niet per se een zegen is. Wajikra beschrijft volgens hem een utopische maatschappij waarin mensen de rituelen volgen, zich aan de regels houden en een goed leven leiden. De andere boeken van Tora gaan veel meer over de complicaties van het leven, zoals het verhaal van Pesach gaat over slavernij, onderdrukking en een tocht door de woestijn van veertig jaar.   We zouden dus moeten zeggen “Halewaj (was het maar zo) dat het leven zo saai was…”.

Sjemini

Deze week lezen we de sidra Sjemini. Het eerste deel van de sidra gaat over de Misjkan, het draagbare tempeltje. Zeven dagen lang is de Misjkan gewijd, op de achtste dag wordt de offerdienst gestart. Aron, de eerste Hogepriester, brengt offers voor zichzelf, zijn familie en voor het volk. Twee van zijn zoons, Nadav en Awihoe, nemen een vuurpan, doen daar wierook en vuur in en gaan ermee naar het altaar. Er kwam een vuur van vóór de Eeuwige dat hen doodde (Wajikra [Leviticus] 10:1 ev.). Het tweede deel van de sidra geeft een opsomming van de spijswetten.   Het gegeven dat de dood van Nadav en Awihoe onbegrijpelijk is, heeft de geleerden in de loop van de geschiedenis niet weerhouden te proberen er uitleg aan te geven. De verschillende commentaren lopen sterk uiteen, om te beginnen al over de vraag of de dood een straf is voor slecht gedrag of een beloning voor hun enthousiasme.   Het centrum van de tekst, de meest eenvoudige uitleg, is toch wel dat Nadav en Awihoe een offer wilden brengen dat niet door God gevraagd werd. Wat hun intenties ook mochten zijn, hun handeling was niet in overeenstemming met Gods opdracht.   Tegenwoordig vinden wij bij het beoordelen van ethisch gedrag van mensen vaak de intentie belangrijker dan de werkelijke realisatie van een handeling. De vraag wat iemand bedoeld heeft, staat voor ons centraal, niet de vraag of dat goed of slecht heeft uitgewerkt. Het lijkt erop dat Nadav en Awihoe het goed bedoelden. Maar bedoeling is in de visie van Tora, in ieder geval voor de eredienst in de Misjkan en de Tempel, niet voldoende. De eredienst is in de ogen van de schrijvers van Tora een zaak van leven en dood. Intentie is niet goed genoeg, het gaat om de wil om de details van de eredienst met de grootste zorgvuldigheid uit te voeren.   Ook in ons moderne leven zijn er situaties waarin intentie niet voldoende is. Artsen en apothekers leven met het gegeven dat de kwaliteit van hun werk essentieel is voor het leven van hun patiënten. Maar ook in onze dagelijkse omgang met onze medemensen is niet alleen onze intentie om het goed te doen voldoende. Onze vrienden hebben er bijvoorbeeld niet veel aan ons voornemen hen te steunen als ze dat nodig hebben. Belangrijker is dat we dat in de praktijk ook doen.

Acharee Mot en Kedoesjim

Dit jaar worden de Sidrot Acharee Mot en Kedoesjim gecombineerd gelezen. We komen daarmee in het voor ons belangrijke deel van Wajikra dat de “Heiligheidswet” wordt genoemd (hoofdstuk 17 t/m 26). Hoofdstuk 19 is daarvan het centrum. Het opschrift van het hoofdstuk is: De Eeuwige sprak tot Mosjé: ‘Spreek tot de gehele gemeenschap van de kinderen van Israel (daber el kol adat bené Jisrael) en zeg tegen hen: Weest heilig, want heilig ben Ik de Eeuwige Jullie God’

Al in onze vroegste commentaren wordt opgemerkt dat dit hoofdstuk de tien geboden omvat. Het is te begrijpen als een her-vertelling, of misschien wel een uitleg van de tien geboden. De formulering is minder strak maar alle onderwerpen uit de tien geboden komen in dit hoofdstuk terug.   Midrasj Tanchoema (een oude middrasj-bundel)  vraagt zich af waarom in het opschrift zo nadrukkelijk de hele groep genoemd wordt en niet zoals gewoonlijk: ‘Zeg tegen de kinderen van Israel’. Het antwoord is dat, net zoals de tien geboden voor iedereen gelden, ook deze wetten het hele volk aangaan. Dit hoofdstuk omvat daarmee de hele tien geboden en misschien ook wel de hele Tora.   Een andere uitleg zou ook kunnen zijn dat de Tora ons wil duidelijk maken dat heiligheid niet gelegen is in de individuele mens, maar in de groep. “Kadosj” is het Hebreeuwse woord voor “Heilig”. We spreken in het Jodenom echter niet over “heilige” personen, maar over een “rechtvaardige” persoon ( “Tsadiek” komt van “Tsedek”). Heiligheid ligt in de gemeenschap. Om het op z’n Asjkenazisch te zeggen: in Kille Koudesj Rotterdam. Die gedachte stelt dus wel speciale eisen aan ons.  

Behar en Bechoekotai

We lezen de gecombineerde Sidrot Behar-Bechoekotai. Ze vormen samen het einde van het boek Wajikra [Leviticus]. Behar bestaat uit een aantal wetten die gelden wanneer het volk het land is binnengetrokken. Bechoekotai begint met het beschrijven van de goede dingen die het volk zal krijgen wanneer het zich aan de Mitswot houdt. Daarna worden de verschrikkingen opgesomd die kunnen gebeuren als het volk zich van God afkeert.

Een van de straffen is het vernietigen van de heiligdommen (Wajikra 26:31). De Misjna(Megilla 3:3) leidt daar uit af dat men een sjoel, ook al is die niet meer in gebruik, met eerbied moet behandelen. Hoewel de heiligdommen vernietigd zijn, zijn ze toch nog steeds onze heiligdommen.

In deze tijd van het jaar waarin wij de velen herdenken die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, zou ik het vers willen lezen als: hoewel velen van ons zijn gedood, leeft hun heiligheid voort, in onze herinnering en in het werk dat wij doen om het Jodendom blijvende inhoud te doen 

Bemidbar 

Deze week lezen we de eerste Sidra van het vierde boek van de Tora. Zoals de conventie is bij de boeken van Tora is het genoemd naar het eerste betekenisvolle woord, in dit geval “Bemidbar”, “in de woestijn”. Het is ook een goede beschrijving van de inhoud van het hele boek, het beschrijft de tocht door de woestijn vanaf de berg Sinai tot vlak voor de intocht in Eretz Israel.   De eerste Sidra van het boek heet, net als het hele boek, “Bemidbar”. Het beschrijft een volkstelling, de indeling van het leger-kamp van het volk en de manier waarop de Levieten met de Misjkan, het draagbare tempeltje, moeten omgaan tijdens de tocht door de woestijn. De sidra bestaat voor het grootste deel uit gestructureerde opsommingen.   Sommige veranderingen gaan plotseling en voltrekken zich als een wonder zonder helder plan of organisatie, zoals de uittocht uit Egypte. Maar om je doelen werkelijk te realiseren is er vaak een duidelijke planning en een goede samenwerking nodig. En vaak ook de wil om het plan langere tijd vast te houden omdat er tegenslagen kunnen zijn en het langer duurt tot je daar bent waar je zijn wilt.   Het boek Bemidbar beschrijft zo’n situatie.

Sjelach Lecha

Deze Sjabbat lezen wij de Sidra Sjelach Lecha waarin wordt verteld over de verspieders. Een groep van twaalf mannen wordt erop uit gestuurd om het land Israël te verkennen. Ze komen terug met een positieve beoordeling van het land zelf, maar tien van de twaalf mannen ziet zichzelf als incapabel om het in te nemen. Alleen Jehosjoe’a bin Noen (die later de opvolger van Mosjé wordt) en Kalew  ben Jefoenè (wordt weinig meer van vernomen) zeggen dat, met God aan hun zijde, inname van het land mogelijk moet zijn. Het gedemoraliseerde volk besluit het land niet in te nemen en de Eeuwige besluit, in reactie daarop en als straf daarvoor, het volk veertig jaren door de woestijn te laten trekken. Wanneer het volk alsnog  denkt de straf te ontlopen door, zonder Gods steun, in de aanval te gaan tegen de bewoners van het land, leidt dit tot bloedvergieten maar niet tot succes.

Het nieuws dat wij deze week hoorden uit Israel heeft mij geschokt. Voor mij geldt dat Israel altijd een bron van trots is geweest. Hoezeer ook Israel nog steeds mijn hart heeft, het valt mij moeilijk deze acties, zeker vanuit militair en politiek oogpunt maar ook uit moreel oogpunt als correct te zien.

In de Sidra van deze week lezen wij dat de verspieders de vijand zagen als reuzen en er zeker van waren dat deze hen zag als sprinkhanen. Hun handelen was ingeven door een verkeerde beoordeling van hun eigen positie ten opzichte van de ander. Ik hoor vanuit Israel tegenwoordig vaak zeggen dat iedereen toch tegen het Joodse volk is. Veel dat Israel op politiek en militair gebied doet, lijkt er vooral op gericht om dat beeld van zichzelf te bevestigen. Dat maakt mij verward en verdrietig.

Korach

In de Sidra Korach is het volk nog steeds onderweg door de woestijn, een tocht die met veel problemen gepaard gaat. Gemopper was het thema van de Sidra Beha’alotcha, gebrek aan vertrouwen van de Sidra Sjelach Lecha. Het thema van de sidra Korach is openbaar verzet tegen autoriteit. Het grootste deel van de Sidra bestaat uit twee, onderling verweven verhalen. De verhalen lopen door elkaar en zijn soms moeilijk van elkaar te scheiden. Een groep Levieten, onder leiding van Korach verzet zich tegen het gezag van Aharon. Een groep leden van de stam Re’oewén komt in opstand tegen de autoriteit van Mosjé. Deze opstand wordt geleidt door Dathan en Awieram.

Bij het conflict draait het om de woorden van Aharon en Mosjé die uit hun verband worden getrokken en als verwijt worden gebruikt. De opstandelingen verwijten vooral Aharon dat hij het monopolie van de eredienst in de Misjkan naar zich toe heeft getrokken. De opdracht om “heilig” te zijn betreft toch het hele volk? (Bemidbar [Numeri] 16:3). Het verwijt tegen Mosjé is: “Is het soms te weinig dat je ons hebt weggevoerd uit een land dat overvloeide van melk en honing (Egypte dus) om ons te laten sterven in de woestijn, dat je je nu ook als heerser over ons wilt opwerpen?” (Bemidbar [Numeri] 16:13). Ook in deze Sidra straft de Eeuwige de klagers. Mogelijk is er een parallel bedoeld tussen de klacht en de straf. De aanhangers van Korach moeten zich opstellen bij de Misjkan met een wierookschep in hun hand. Ze worden verteerd door een vuur dat voortkomt uit de Misjkan en worden daardoor, als het ware, zelf een offer. De groep rond Dathan en Awieram sterft in de woestijn. Ze verdwijnen in een gat in de grond, rechtstreeks naar Sjeol, de onderwereld.

 De eerste drie sidrot van Bemidbar stellen verschillende thema’s aan bod die te maken hebben met, zoals we het nu zouden noemen, negatieve groepsprocessen. Gemopper, gebrek aan vertrouwen en aanvallen op de autoriteit zijn niet rechtstreeks overtredingen van Mitswot, maar worden in het boek Bemidbar wel zeer negatief ingekleurd en zeer zwaar bestraft.

Een van de belangrijkste redenen waarom wij Tora nog steeds lezen, is dat het boek tijdloze verhalen verteld. Gemopper, gebrek aan vertrouwen en aanvallen op de autoriteit zijn nog steeds negatieve krachten. Wat dat aangaat is de wereld niet heel veel opgeschoten. Gelukkig spert de aarde niet altijd haar mond open om de mopperaars op te slokken.

Balak

De woorden die je traditioneel moet zeggen wanneer je een sjoel binnengaat, vormen ook de eerste regel van het lied waarmee wij de dienst op vrijdagavond beginnen, “Ma Towoe” (“Hoe liefelijk  zijn uw tenten Ja’akow, Uw woningen Israel”) komt uit de sidra “Balak”, de sidra van deze week (Bemidbar[Numeri] 24:4).

Na 40 jaar doorgebracht te hebben in de woestijn is het volk vlak bij het land gekomen. Het heeft zijn tenten ten oosten van de Jordaan opgeslagen in het gebied dat wij nu Jordanië noemen. Balak, de koning van Moav, is bang dat zijn land door het talrijke volk (2 miljoen mensen, volgens een andere plaats in Tenach) opgeslokt zal worden. Hij laat Bil’am komen om het volk te vervloeken. In Balak’s ogen is Bil’am een soort technicus die, tegen een aanzienlijke beloning, een gepaste vervloeking kan uitspreken. Het prachtige, gelaagde verhaal maakt echter duidelijk dat Bil’am een gereedschap is in de hand van de Eeuwige. Hij kan alleen maar zeggen wat God hem in de mond legt. De geschiedenis voltrekt zich volgens Gods plan, tovenarij of waarzeggerij hebben geen zin. In plaats van een vervloeking worden de woorden van Bil’am een poëtische zegenspreuk, waar het “Ma Towoe” deel van uitmaakt.

Het geeft te denken dat wij onze diensten gewoonlijk openen met de woorden van de belangrijkste niet-Joodse profeet uit Tenach.

Pinchas

De sidra van deze week is Pinchas. Het is één van de laatste sidrot van het boek Bemidbar [Numeri]. Het beschrijft verschillende gebeurtenissen die plaats vonden terwijl het volk Israel zich opmaakte om het land Israel binnen te trekken.

Een van de gebeurtenissen die in deze sidra beschreven worden, is de aanzegging van Mosjé’s naderende einde. (Zie Bemidbar 27:12 ev.) Zonder veel omhaal zegt God tegen Mosje dat deze een bepaalde berg moet beklimmen om van daaraf het land te zien. Mosjé zal het zelf niet mogen binnentrekken omdat hij opstandig is geweest. Hij heeft water uit een rots laten komen door erop te slaan in plaats van ertegen te spreken. Daarna zal Mosjé’s einde komen. Het bestijgen van de berg is het thema van het eind van het boek Dewarim [Deuteronomium], het stuk dat door de Chatan Tora wordt gelezen tijdens Simchat Tora. Daar worden de laatste momenten van Mosjé uitgebreid en in prachtig Hebreeuws beschreven.

Wanneer Mosjé te horen heeft gekregen dat hij zal sterven, dringt hij er bij God op aan dat deze een opvolger aanstelt, opdat het volk niet zal zijn als “een kudde kleinvee zonder herder”. Jehosjoe’a bin Noen wordt aangewezen als de toekomstige leider, Mosjé krijgt opdracht om hem de hand op te leggen.

Jehosjoe’a is één van de twee verspieders die, veertig jaar eerder, met een positief oordeel terug kwamen van zijn tocht door het land. Daarom is hij ook één van de twee mannen die uit Egypte zijn gegaan en het land Israel zullen binnentrekken. Hij wordt dan de leider van de intocht zoals die beschreven staat in het boek dat in Tenach direct op de Tora volgt, het boek Jehosjoe’a.

Het gebaar van de handoplegging is hier een teken van gezagsoverdracht. Het is de oorsprong van de “semicha” het gebruik onder rabbijnen om, door middel van handoplegging, aan te geven dat de leerling, in de ogen van de leraar, klaar is om leiding te geven. Het is ook hetzelfde gebaar dat ouders gebruiken wanneer zij hun kinderen bensjen en ook het gebaar dat ik, als een van de leraren van onze gemeente, in het openbaar mag gebruiken ter afronding van Bar Mitswa en Bat Mitswa ceremonies.

Ekev

Deze week lezen we de Sidra Ekev. In deze sidra wordt, met enige regelmaat, over eten gesproken en is daarom heel geschikt als voorbereiding voor een Pot Luck dinner. De meest bekende uitspraak op dit gebied uit deze Sidra is “De mens leeft niet bij brood alleen, maar bij alles dat voortkomt uit de mond van de Eeuwige leeft de mens”(Dewarim[Deuteronomium] 8:3) *. In Dewarim staat het in verband met het Manna dat de mensen tijdens de tocht door de woestijn te eten kregen. De eerste betekenis van de zin is dat het wonder van het Manna de macht van God over leven en dood toont. In relatie met de rest van de Sidra komt daar een ander aspect bij.

Brood is in de Joodse traditie een symbool van de samenwerking van mens en God. Om het te maken moet het graan groeien (Gods taak), maar er moet ook van alles mee gedaan worden (onze taak). Wanneer wij God, tijdens het Motzie-maken (de Beracha over het brood) degene noemen die het brood uit de aarde doet voortkomen, weten wij heel goed dat dit maar deels waar is. De traditionele commentaren zeggen dan ook dat het brood van de Beracha het brood is dat in het Paradijs groeide en er weer in de Messiaanse tijd zal zijn, als het brood letterlijk uit de grond zal komen.

Voor de tussentijd herinnert Tora ons eraan dat wij maar beperkt controle hebben over wat ons overkomt. Het is niet alleen het product van ons eigen handelen dat ons in leven houdt. En dat is in de aanloop van de Hoge Feestdagen een belangrijk gegeven om te leren.

Reë

We lezen deze week uit de Sidra “Reë”. In de Sidra wordt het volk voorbereid op de dingen die het moet doen als het eenmaal in het land Israel is aangekomen.

Één van de thema’s die in het boek Dewarim [Deuteronomium] een rol spelen, is de nadruk op het centrale heiligdom. Bij de ene God hoort één volk en één land. Er is één Tempel waar de offerdienst plaats moet vinden. Dat die offerplaats in Jerusalem moet zijn, lees je niet in dit boek. Pas lang na de intocht, in de tijd van koning David en Sjlomo komt de tempel daar terecht. Dewarim spreekt over “de plaats die de Eeuwige zal kiezen om daar zijn naam te vestigen”.

In de tijd tussen de intocht en de bouw van het centrale heiligdom waren er allerlei lokale offerplaatsen. Mensen die een offer wilden brengen, konden dat doen op de “hoogte” bij hen in de buurt. De schrijver van het boek Dewarim wist dat het afbreken van de lokale offerplaatsen een probleem zou zijn voor de mensen in het land. Nog los van het emotionele gegeven dat mensen hun eigen tempeltje in hun eigen dorp niet willen afbreken, is er ook een praktisch probleem. De Tora wil dat je een deel van de opbrengst uit de landbouw offert. Onder andere de eerstgeboren reine dieren en een deel van de opbrengst van het land moeten aan de Eeuwige geofferd worden. Wanneer je ver van de Tempel woont, is dat lastig. De oplossing die Tora aangeeft, is dat je de opbrengst in de plaats waar je woont te gelde maakt. Je kunt dan naar Jerusalem reizen en de opbrengst in geld tijdens je verblijf gebruiken voor “alles waar je zin in hebt” (Dewarim [Deuteronomium] 14:26).

Anders dan in de eerste jaren van haar bestaan, heeft Israel gelukkig niet echt meer onze financiële steun nodig voor het opbouwen van het land. Het land kent een redelijke welvaart en de meeste bewoners hebben een behoorlijk bestaan. Israel heeft wel onze solidariteit nodig. Een manier om dat in te vullen zou kunnen zijn dat wij een deel van ons inkomen gebruiken om naar het land toe te gaan en het daar uit te geven. Door onze aanwezigheid in het land tonen wij, meer dan op welke manier dan ook, onze solidariteit. En het is nog leuk ook.

Sjoftim

Deze week lezen we de sidra Sjoftim uit het boek Dewarim [Deuteronomium], met een mengeling aan wetten.

In Dewarim 16:22 staat dat het verboden is om een “matsewa” op te richten. In het Nederlands-Jiddisj gebruiken we hetzelfde woord voor een steen op een graf (een matséiwe) maar dat is niet wat hier bedoeld is. Een matsewa in Tora is een gewijde steen die gebruikt wordt voor wierookoffers of om olie over te plengen. Er is een probleem met dit verbod. Eerder in de Tora krijgen de aartsvaders namelijk juist opdracht om verschillende gewijde stenen op te stellen en daar offers te brengen. Hoe kan het zijn dat iets dat in Beresjit [Genesis] wordt opgedragen, hier wordt verboden?

Rasji, onze leraar uit de elfde eeuw, schrijft in zijn commentaar dat het hier verboden wordt omdat de Kanaänieten die op dat moment in het land woonden, matsewot gebruiken voor hun afgodendienst. Wat eerder in orde was, wordt hier, door de manier waarop het wordt gebruikt, tot iets afschuwwekkends.

De opvatting van Rasji lijkt voor de hand te liggen maar is in wezen heel radicaal. Het betekent dat halacha zoals die door de Eeuwige wordt geboden tijd- en contextgebonden is. Wat op het ene moment in de Joodse geschiedenis goed is om te doen, kan op een ander moment blijkbaar volkomen verkeerd zijn. En bij gebrek aan de aanwezigheid van Mosjé in onze dagen, zijn wij bij de beoordeling van wat goed is om te doen, aangewezen op ons eigen inzicht.

Alvast Sjabbat Sjalom gewenst,

Ki Tawo

In de jaarlijkse lees-cyclus zijn wij bijna aan het eind van het laatste boek van Tora aangekomen. Wij lezen deze week de Sidra “Ki Tawo”. Het eerste onderwerp van de Sidra is het eerstelingen-offer. Een boer moet met de eerste opbrengst van zijn land een mand vullen en die naar de tempel brengen. Terwijl een Kohen (Priester) de mand aanpakt, moet de brenger een tekst uitspreken waarin hij de Eeuwige dankt voor de opbrengst van het land.

Tegenwoordig brengen wij geen eerstelingen meer naar de Tempel maar we hebben wel een speciale Beracha om de Eeuwige te danken voor het plezier dat wij beleven aan nieuwe dingen. Op feestdagen en bij een Bar of Bat Mitswa zeggen wij gewoonlijk in sjoel de Beracha “Shehechianoe”. Deze Beracha wordt traditioneel gezegd wanneer iets nieuws gebeurd waar je, als individu, plezier bij hebt. Bijvoorbeeld, als je iets nieuws koopt waar je plezier aan beleefd of als je voor het eerst in het jaar een bepaalde vrucht eet. En op een bepaalde manier hebben de Berachot de plaats van de offerdienst ingenomen. Je vindt de Beracha in de Sidoer, blz. 530 nr. 9.

Nieuws

De Rabbijn legt uit: Betekenis ... Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: koninklijke onderscheiding Bram & Yvonne Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Oneg Sjabbat 2017 Lees meer >>

oktober

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31