Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

18 oktober 2017 | 28 Tishri 5778

Sidrot 5771

Sidrot 5771

 

Noach
Lech Lecha
Chaje Sara
Toldot
Wajétsé
Wajésjèv
Bo
Besjallach
Misjpatim
Teroema
Tetsawè
Wajakhél
Pekoedé/Sjekalim
Kedosjim
Emor
Behar
Bemidbar
Naso
Beha’alotecha
Pinchas
Masé
Dewarim
Waètchanan
Sjoftim
Ki Tawo

Noach

Het begin van de Tora wordt gevormd door de oerverhalen. Vorige week lazen wij de verhalen over de schepping en de eerste families. Deze week komen de verhalen rond Noach en de Toren van Babel aan de beurt. De geschiedenis van het Jodendom begint pas bij de Sidra Lech Lecha die wij volgende week zullen lezen.

In het Jodendom speelt de scheppende kracht van taal een belangrijke rol. Het scheppingsverhaal vertelt ons dat God de wereld schiep met woorden “Laat er licht zijn, en er was licht…”. Ook in het verhaal van de Toren van Babel spelen woorden een belangrijke rol. De bouw van de toren start wanneer de ene persoon tegen de ander zegt “Laat ons een stad en een toren bouwen”. Wanneer de Eeuwige afdaalt om te kijken wat de mens aan het doen is, besluit Hij niet om de toren te vernietigen, maar om mensen verschillende talen te laten babbelen om hen de mogelijkheid te ontnemen elkaar te verstaan.

Terwijl ik dit aan het schrijven ben, lees ik op Internet een melding dat van de 6909 nu bekende talen, de helft met uitsterven wordt bedreigd. Je kunt je afvragen of, in het licht van het verhaal van de Toren van Babel, dat als een positieve of negatieve ontwikkeling gezien moet worden.

Lech Lecha

In de antieke wereld waren goden over het algemeen grondgebonden. Mensen geloofden in de godheid die traditioneel in hun regio werd aanbeden. Er wordt wel gezegd dat de meest essentiële vernieuwing van het Jodendom was, dat het dacht over de Godheid als een “draagbare god”, een God die, waar je ook heen gaat, met je mee gaat.

Deze week lezen we de Sidra Lech Lecha. De verhalen die we tot nu toe uit de Tora hebben gelezen, zijn universeel, ze gaan over alle mensen. Bij Lech Lecha wordt Awram aan ons voorgesteld. Awram is de eerste van de Aartsvaders en daarmee ook de eerste waarbij je kunt spreken van Jodendom (hoewel nog niet van een Joods volk, dat komt pas in Egypte). Het verhaal opent met een reis die Awram moet maken, in opdracht van de Eeuwige. “De Eeuwige zei tegen Awram: Ga uit je land, uit je geboorteplaats, uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal tonen”.

Lech Lecha is de eerste zin van de Tora over Jodendom, het kan gelezen worden als een zelfdefinitie. Jodendom geeft richting aan je weg door het leven. Waar je ook heen gaat, zelfs als je alles achter moet laten, Jodendom gaat met je mee.

Chaje Sara

We lezen deze week de sidra “Chaje Sara”. De verhalen in deze sidra, vormen de overgang tussen de verhalen over Awraham en die over de latere aartsvaders en –moeders. De sidra begint wanneer Sara sterft en Awraham de grot Machpela koopt. Daarna stuurt Awraham zijn knecht naar zijn geboorteplaats (Haran) om daar een vrouw voor Jitschak te vinden. De sidra eindigt met de dood van Awraham die door Jitschak en Jisjma’el samen wordt begraven in Machpela.

De muren die de traditionele plaats van de grot Machpela nu omgeven, dateren uit de tijd van Herodus. De verschillende gebouwen en ook de sarcofagen die daarbinnen te zien zijn, zijn middeleeuws. De grot zelf is verboden terrein. Hoe die er uit ziet is daardoor onbekend. De woord-stam van de naam “Machpela” geeft aan dat het gaat om iets dat “dubbel” is, misschien is het een soort dubbele grot.

Een traditie uit de Talmoed geeft echter een heel andere betekenis aan de naam. De grot heet dan “Machpela” omdat op deze plaats vier paren begraven zouden liggen: Adam en Chawa, Awraham en Sara, Jitschak en Riwka en Ja’akov en Lea.

Toldot

Zoals gewoonlijk zullen we voor de ochtenddienst lernen over de Sidra van de week. De deur van de sjoel gaat om 9:00 uur open, we lernen een half uur, van kwart over negen tot kwart voor tien. Het is een goede gelegenheid om met mij en met elkaar te spreken over wat ons bezig houdt. 

We lezen deze week de Sidra Toldot. In deze Sidra zijn de verhalen rond de aartsvader Jitschak verenigd.

“Zien” en “Horen” zijn bij uitstek de zintuigen die in veel van de verhalen in van Tora voorkomen. Zien komt voor als werkwoord in veel verhalen, maar ook in geografische benamingen, zoals in “Be’er lechaj roi”(“De Bron van de Levende (God) die ziet”, Beresjit [Genesis] 16:14) of “Moria” (Zoiets als “het zien” , Beresjit [Genesis] 22:2). Horen komt op allerlei plaatsen voor, het meest opvallend natuurlijk in het Sjema: “Hoor Israel…”.

Het grootste deel van de Sidra die wij deze week lezen, bestaat uit het verhaal waarin Ja’akov de zegen steelt van Ezav. Hij doet dat door zijn vader te bedriegen. Jitschak ziet slecht en vertrouwt blijkbaar niet op zijn oren maar op zijn gevoel, geur en smaak. In het verhaal betast hij Ja’akov die zijn armen heeft bedekt met een geitenvacht en zegt dan: “De stem is de stem van Ja’akov maar de handen zijn de handen van Esav”, (Beresjit [Genesis] 27:22). Ook aan Ja’akov ruiken en de maaltijd proeven die hij meenam, maakt Jitschak niet wijzer. Ondanks de twijfel geeft hij de zegen aan Ja’akov, terwijl hij denkt dat het Esav is die aan zijn bed zit.

Het is in de verhalen alsof er een voorkeur is voor zien en horen voor het waarnemen van de Eeuwige. Alsof deze zintuigen minder verwarring geven dan ruiken, proeven en voelen. In Tora ziet en hoort God ons en andersom horen wij Gods woorden en zien zijn daden.

Wajétsé

We lezen deze week de Sidra Wajétsé. Ja’akov heeft zijn broer Esav het eerstgeboorterecht en de stamvaderlijke zegen afgetroggeld en wijkt uit naar Charan, naar zijn familie. Wanneer hij aankomt bij een put lijkt het verhaal een reprise te worden van de gebeurtenissen een generatie eerder, toen Awraham’s knecht, beladen met geschenken, een vrouw voor Jitschak kwam zoeken. Maar wanneer Lavan hem thuis ontvangt, blijkt deze jongeman geen schatrijke telg van de familie maar een arme vluchteling. Er volgt een prachtig verhaal van intrige, misverstanden en bedrog. Als je het verhaal niet (goed) kent, is dit het moment om een Tenach te pakken en het te lezen. Je vindt het in Beresjit [Genesis] 29:1-32:22.

In veel samenvattingen van het verhaal over de twee zussen, Rachel en Lea, lees je dat Rachel mooi was en Lea lelijk. Het Hebreeuws van Zoals vaak is Tora subtieler dan de “platte” vertalingen. In vers 29:17 worden de twee zusters aan ons voorgesteld. Rachel, de jongste zus, is mooi van gestalte (Jefat To’ar). De tekst zegt over Lea’s ogen: “We’éné Lea rachot”. De vertalingen en commentaren gaan alle kanten op met deze zin. “Rach” betekent in het Hebreeuws van Tenach gewoonlijk “zacht” en een enkele keer “zwak”. Rasji (11e eeuw) zegt dat Lea hoopte met Esav, de oudste broer, te mogen trouwen. Haar ogen zijn week geworden door het vele huilen. Radak (12e-13e eeuw) denkt dat Lea wel knap was om te zien, maar helaas zwakke, doffe ogen had. Maar Rasjbam (11e-12e eeuw) vertaalt juist “mooi”. Ze heeft mooie ogen, en als je mooie ogen hebt, ben je helemaal mooi. Kortom, altijd eerst de commentaren lezen. Tora is ingewikkelder dan een simpele vertaling en lijkt meer op het echte leven. Mensen en dingen zijn nooit helemaal mooi of lelijk.

Wajésjèv

Deze week lezen wij de Sidra Wajésjèv. De Sidra bevat de eerste delen van het Jozef-verhaal, met het verhaal van Tamar en Juda als intermezzo. Het verhaal van Tamar en Juda is één van de verhalen die op zondagschool meestal wordt overgeslagen. Zie: Beresjit [Genesis] 38.

De Koran bevat weinig verhalen, wanneer de verhalen van Tenach besproken worden, wordt er meestal verwezen, alsof iedereen ze wel kent. Het Jozef-verhaal is een uitzondering, het is het langste verhaal in de Koran. De manier waarop het verteld wordt, is echter niet die van Tora, maar meer zoals wij het verhaal kennen door de ogen van de Midrasj. Neem bijvoorbeeld dit fragment van de Koran over de liefde van de vrouw van Potifar voor Jozef:

Enige vrouwen in de stad zeiden: “De vrouw van de Overste heeft begeerte opgevat voor haar knecht, hij heeft haar liefde ingeboezemd. Wij zien haar waarlijk in klaarblijkelijke dwaling”. Toen zij nu van hun achterklap vernomen had, ontbood zij hen en bereidde hun een aanligmaal en gaf ieder een mes en zei (tegen Jozef) “Kom voor hen tevoorschijn”. Toen zij hem nu zagen, maakte hij grote indruk op hen en zij sneden in hun handen…(Koran 12:30).

In Tora komt dit niet voor, maar in Midrasj Tanchoema Wajésjèv 5 vinden wij:

…Op een dag kwamen de Egyptische vrouwen samen om de schoonheid van Jozef te zien. Wat deed de vrouw van Potifar? Ze pakte citrusvruchten (etrogs) en gaf er ieder één. En ze pakte ook messen en gaf er ieder één. Ze riep Jozef en liet hem voor hen staan. Terwijl zij naar zijn schoonheid keken, sneden zij in hun handen. En zij zei tegen hen: “Als het al zo voor jullie is, die hem maar een uurtje zien, hoeveel meer is het voor mij die hem ieder moment moet zien”…

Bo

Deze week lezen we de sidra “Bo”. De sidra bevat de tweede helft van de Tien Plagen en het begin van het uittocht-verhaal. Daartussen staan een aantal regels die met Pesach te maken hebben.

Het begin van het uittochtverhaal is tegelijk de oproep om Pesach te vieren. De Tora geeft een beschrijving van de gebeurtenissen tijdens de uittocht. Die beschrijving is tegelijkertijd bedoeld als oproep, als een eeuwigdurend gebod, om de uittocht als feest te herdenken. De beschrijving dient dus een dubbel doel.

Als je de tekst leest, valt echter ook op hoezeer de manier waarop wij Pesach vieren anders is dan die in deze beschrijving. Per familie moet er één schaap of geit uitgekozen worden. Op de avond voor de uittocht wordt het geslacht, geroosterd en opgegeten. In de Sidra worden we opgeroepen om het Pesach offer te eten met je gordel om je middel en je schoenen aan je voeten, klaar om te vertrekken dus. Je moet het eten in je eigen huis, het bloed van het dier moet je aan de deurposten en de bovendorpel van je huis smeren.

Thuis het Pesach offer eten is vroeg verdwenen. Door de centralisatie van de eredienst in de Tempel in Jeruzalem werd het onmogelijk het Pesach offer thuis te slachten. Het werd dus gebruikelijk het in Jeruzalem te slachten en in de bergen rond de stad op te eten. En omdat je je huis niet bij de hand had, is het “geklieder” met het bloed daarbij ook verwenen.

Door de val van de Tempel is het gebruik om het offer in Jeruzalem te brengen op zijn beurt weer verdwenen. Wij doen de seder juist weer in ons eigen huis, zonder offer. We staan echter niet klaar voor de reis, maar eten juist leunend, in rust. We drukken daarbij juist uit dat wij vrije mensen zijn die de rust van hun eigen huis en tafel kennen. De kracht van Jodendom is de mate waarin het zich steeds heeft aangepast aan veranderende tijden en daarmee steeds nieuwe nuances en uitdrukkingsvormen heeft weten te vinden voor onze oude waarden.

Besjallach

De sidra Besjallach vertelt het verhaal van de uittocht tot aan de berg Sinai. We lezen over het splijten van de Schelfzee en het verdrinken van het Egyptische leger, waarover zo dadelijk meer. Daarna lezen we het Lied van de Zee, dat we regelmatig op Sjabbat ochtend nog in sjoel zingen. De tweede helft van de sidra neemt een thema op dat een belangrijke plaats in de rest van de verhalen zal spelen. Het volk heeft de neiging nogal klagerig te zijn. “Had de Eeuwige ons maar laten sterven in Egypte, daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. Jullie hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.”

Waar precies de Schelfzee (Jam Soef) ligt, is onduidelijk. Je hoort vaak dat het om een soort moerasgebied zou gaan op de grens tussen Egypte en de Sinai woestijn, omdat zo’n gebied tijdelijk droog kan vallen. Het verhaal in Tenach wil juist het wonderlijke van de gebeurtenis benadrukken, niet het natuurlijke. Het verhaal vertelt dat het water gespleten werd en, toen het volk door de zee trok, als een wand ter linker en ter rechterzijde stond. Het is dus goed mogelijk dat de Rode Zee bedoeld wordt, juist omdat dit zo’n diepe zee is.

Voordat de zee splijt, is het volk ingeklemd tussen het water aan de ene kant en het aanstormende Egyptische leger aan de andere. Wat doe je in zo’n geval, wanneer je het gevoel hebt tussen hamer en aambeeld verzeild geraakt te zijn? In het Jodendom is het aanroepen van God in gebed natuurlijk een goede optie en volgens het verhaal is dat wat het volk, en blijkbaar ook Mosjé, doet. God echter antwoordt “Wat sta je toch tegen mij te roepen? Zeg tegen het volk dat ze moeten optrekken! (Sjemot [Exodus] 14:15)”.

God aanroepen gebeurt vaak in Tenach en op veel plaatsen lezen we dat de Eeuwige het roepen hoort. Maar blijkbaar is er ook een tijd om je gebed kort te houden en in actie te komen.

Misjpatim

Ik was laatst in een bijeenkomst waar een van de aanwezigen benadrukte dat je de Bijbel zo letterlijk mogelijk moet interpreteren. De rabbijnse traditie, waar wij deel van uitmaken, doet dat vaak niet. Teksten krijgen vaak een heel nieuwe betekenis, in relatie tot de context of de eigen tijd.

We lezen deze week de sidra Misjpatim die bestaat uit verschillende soorten wetten. Het eerste en grootste deel van de sidra geeft wetten die bedoeld zijn voor rechters. Ze geven aan hoe je, als rechter, hebt te handelen in specifieke situaties. De meest bekende van deze regels is in het Nederlands terecht gekomen als spreekwoord: “Oog om oog, tand om tand”. De vroege midrasj-literatuur, en in navolging daarvan, de Talmoed, interpreteert deze regel niet letterlijk. In onze traditie wordt benadrukt dat als iemand schade heeft aangericht aan een ander, die ander een vergoeding moet betalen. Die vergoeding moet in verhouding zijn met de schade die is aangericht. Een rechter moet proberen te bepalen wat de waarde van de schade is. De dader moet de waarde vergoeden, samen met een bedrag voor het ziekbed en voor de "schaamte". Dat laatste zouden wij mogelijk de psychische schade noemen. Van een letterlijke interpretatie kan dus volgens onze traditie geen sprake zijn. De compensatie is "ter waarde van een oog, ter waarde van een tand".

Wat zou er gebeuren als je de regel van Tora letterlijk neemt? Verschillende van onze commentatoren leggen uit dat dit helemaal niet kan. Rasji geeft het voorbeeld van iemand die een oog heeft beschadigd, maar niet blind gemaakt. Hoe moet dat dan? Ibn Ezra vraagt zich af of je iemand die je straft doordat je hem een arm afzet daarna moet compenseren voor de medische kosten en het gezichtsverlies. In ons liberale Jodendom nemen wij soms afstand van wat door onze voorgangers in Tenach werd gelezen en geven onze eigen betekenis, soms gebaseerd op wat wij een meer letterlijke betekenis vinden. Maar uiteindelijk kunnen ook wij niets anders doen dan de tekst lezen door de bril van onze traditie, zij het wel in de context van onze eigen tijd.

Teroema

Deze week lezen wij de de sidra Teroema. De sidra begint met al-dan-niet vrijwillige gaven (vergelijk de commentatoren) en gaat verder met een gedetailleerde beschrijving van de bouw van de Misjkan, het draagbare heiligdom dat het volk meevoerde tijdens de tocht door de woestijn. In de sidra wordt gezegd dat de Misjkan moest worden gebouwd, opdat God temidden van het volk kan wonen. Dat is een uitspraak die wij moeilijk in ons moderne godsbeeld kunnen passen. God is voor ons alom aanwezig. Of misschien woont God wel in ons hart. Het idee dat God in een tent in het kamp woont, lijkt een overblijfsel uit vervlogen tijden. 

De tekst over de Misjkan volgt op het verhaal over de tien woorden (de tien geboden) en de sidra Misjpatim, waarin allerlei aanvullende regels staan. De stenen tafelen waarop de tien woorden staan, worden ook wel de verbondstafelen genoemd. Het is het symbool van verbondenheid tussen God en Israel. Het sluiten van het verbond is, op een bepaalde manier, een huwelijk tussen God en Israel. Er is een speciale relatie, geboren uit liefde, waarbinnen beide partijen onder meer beloven elkaars belangen te dienen. 

Een huwelijk is ook samen een huis bouwen waar je met elkaar kunt wonen. De choepa (baldakijn) die wij bij een huwelijksplechtigheid gebruiken, is een symbolische woning die bruid en bruidegom samen betrekken. De Misjkan is misschien ook wel een symbolische woning die wij, met veel zorg, samen met God bouwen om dicht bij elkaar te zijn. Tijdens de tocht door de woestijn was het de tent der samenkomst. Nu is het misschien wel een plaats die wij in ons huis, of in ons leven, maken om nader tot de essentie van ons leven te komen. 

Tetsawe

De sidra van deze week gaat vooral over de voorschriften voor kleding en de inwijding van de Kohanim, de priesters in de Tempel. Het meest opmerkelijke van deze sidra lijkt wel te zijn dat Mosjé er niet in voorkomt. Het is de sidra van Aharon, de voorouder van alle Kohanim, de eerste Hogepriester.

In de Tora heeft de offerdienst, uitgevoerd door de afstammelingen van Aharon een centrale plaats. Na de val van de Tempel in het jaar 70 van de gewone jaartelling, is de rol van de Kohanim sterk afgenomen. De Tempel en haar dienst leven echter wel voort in het Jodendom van onze dagen. In de traditionele gebeden vragen wij om het herstel van de tempeldienst, als onderdeel van de verwachting van de Messiaanse tijd. En zelfs in onze liberale siddoer, ontstaan uit de verlichtingsideeën  van de achttiende en negentiende eeuw, zijn de verwijzingen naar de tempel en de tempeldienst nog duidelijk aanwezig. Wat dat betreft lijkt er sprake van continuïteit.

De meest radicale breuk echter met de wereld van de Tempel is de keuze, gemaakt door onze voorgangers, de Rabbijnen van de Misjna en de Talmoed, om het Tempelritueel over te brengen van het altaar in de Tempel naar onze eigen eettafel.

In het moderne Jodendom zijn wij allemaal de nakomelingen van Aharon.  Op Erev Sjabbat steken wij kaarsen aan die herinneren aan de Menora voor het Allerheilige van de Tempel. We leggen brood op tafel, ter herinnering aan de Toonbroden van de Tempel. Wanneer we het brood eten, strooien wij er zout op, ter herinnering aan het gebod dat een Meeloffer alleen met zout gebracht mag worden. In traditionele kringen wast men de handen tussen het drinken van de wijn en het eten van het brood, ter herinnering aan het handenwassen van de priesters in de Tempel, die veel aandacht besteedden aan hun rituele reinheid.

Eens was onze traditionele manier om op Erev Sjabbat de Sjabbat te verwelkomen, een radicale keuze vóór vernieuwing en democratisering van het Jodendom. De betekenis van deze keuze van twee millennia terug kan niet worden onderschat.

Wajakhél

Wajakhél, de sidra die wij deze week lezen bestaat voor het overgrote deel uit een zeer gedetailleerde beschrijving van de Misjkan, het draagbare tempeltje. In eerdere sidrot (Teroema en Tetsawè) zegt God tegen Mosjé dat het volk de Misjkan moet bouwen. In onze sidra geeft Mosjé deze opdracht door en wordt verteld hoe de Misjkan, onder leiding van Betsalel en Aholiaw werd gemaakt.  

Met uiterste zorgvuldigheid wordt beschreven hoe, en van welke materialen de Misjkan is gebouwd . Wat mij echter iedere keer weer opvalt wanneer ik deze sidra lees, is hoe moeilijk menselijke communicatie is. De vele woorden die veel details beschrijven zijn tegelijkertijd een bron van verwarring. De schijnbare nauwkeurigheid verhult de onduidelijkheid. Iedere zin heeft zijn eigen probleem. Wat wordt er bij de beschrijving van de achterwand van de Misjkan bijvoorbeeld bedoeld met (Sjemot [Exodus] 36:29): “Paarsgewijs werden ze van onderaf verbonden en tezamen vormden ze van boven één geheel tot in die éne ring, zo deed men met die twee aan de beide hoeken. ” Als wij, mensen, elkaar iets concreets willen uitleggen, lukt dat het best als we kunnen verwijzen naar de werkelijkheid om ons heen of, op zijn minst, een afbeelding. Als Wajakhél samengesteld zou zijn door de mensen van Ikea, zouden er nauwelijks woorden maar alleen tekeningen in deze sidra staan.

Als we abstracte zaken of gevoelens willen uitdrukken, zijn we net als stotteraars en wordt onze tekst niet helderder dan de beschrijving van de Misjkan. Het lijkt nauwkeurig maar het is het niet. Wie weet is dat de reden dat Tenach voor een groot deel bestaat uit verhalen. Een verhaal is als een tekening.  Met een verhaal vertellen we vaak veel meer over wat we werkelijk voelen dan met een quasi nauwkeurig betoog.

Pekoedé/Sjekalim

Wij lezen deze week de sidra Pekoedé, de laatste sidra van het boek Sjemot. De onderdelen van de Misjkan zijn af. Er wordt in de sidra rekenschap gegeven van de manier waarop de giften (goud, zilver, edelstenen, textiel in verschillende kleuren) zijn gebruikt. Alle onderdelen worden naar Mosjé gebracht die het geheel in elkaar zet.

In de Joodse kalender komen vier bijzondere Sjabbatot voor. De vier hebben inhoudelijk niet veel met elkaar te maken maar vormen samen wel een soort opmaat voor de lente-feestdagen, Poerim en Pesach.

  • Deze week is het Sjabbat Sjekalim.
  • Over twee weken, de Shabbat voor Poerim, valt Shabbat Zachor waarop wij lezen over Amalek die in Tenach wordt beschreven als de bron van het kwaad. Haman is volgens de Megilla een Amalekiet.
  • De week na Poerim is het Shabbat Para. De as van de Rode Koe speelde in de Tempel een belangrijke rol in het reinheid-ritueel. Voor Pesach wilde men rein zijn.
  • De Shabbat vóór Pesach is Shabbat haGadol, de Grote Shabbat.

Tijdens de vier speciale Sjabbatot wordt, in plaats van de gewone maftier, uit een tweede rol een extra stuk gelezen dat aansluit bij het thema van de dienst.

Sjabbat Sjekalim valt altijd in de dagen rond het begin van de lentemaand Adar. Onze Joodse traditie heeft de bijzondere eigenschap om zelfs van belastingheffing een bijzondere gebeurtenis te maken. Deze Sjabbat is een herinnering aan de halve sjekel die ieder Joods gezin vroeger betaalde voor het onderhoud van de Tempel en het dagelijks offer. In veel traditionele sjoels wordt in deze tijd van de sjoelgangers een klein bedrag gevraagd als een symbolische herinnering aan deze belasting. Uit de tweede rol lezen we Sjemot [Exodus] 30:11-16 over de volkstelling in de woestijn.

Volgens Maimonides was het gewicht van de zilveren halve sjekel die in de Tempel werd gebruikt gelijk aan 160 gerstekorrels. Ik las dat dit ongeveer 8 gram is. De waarde van 8 gram zilver is vandaag € 6,40. In veel sjoels is het gebruik om een halve “munt” te geven, bijvoorbeeld een halve Euro. Ik wil jullie wijzen op de Tsedaka-bus die bij ons in sjoel op de Bima staat.

De symboliek van Sjabbat Sjekalim benadrukt het belang van de gemeenschap voor het Jodendom. In een volkstelling telt natuurlijk ieder individu, maar het resultaat is het geheel. Iedere halve sjekel alleen was niet genoeg om de Tempel te onderhouden, maar de halve sjekels van de hele Joodse gemeenschap vertegenwoordigde een groot kapitaal die de Tempel in Jerusalem tot een van de grootste en machtigste tempels in het Romeinse rijk maakte.

Onze sjoel blijft bestaat door jullie collectieve inzet. Gelukkig zijn er voldoende mensen die een financiële bijdrage willen doen, veel meer dan de waarde van een halve sjekel. Daarnaast is het alleen dankzij jullie gezamenlijke inspanning dat wij in staat zijn van deze sjoel een huis te maken voor ieder van ons. We zijn met elkaar afhankelijk van ieders inzet. En daarbij telt ieder individu.

Kedosjim

In Wajikra 19:18 staat: "Wreek je niet op, en koester geen wrok tegen je volksgenoten". De woorden voor "wreken" en "wrok koesteren" (tikom en titor) liggen qua betekenis zo dicht bij elkaar, dat uitleg nodig is. Rasji doet het zo:
"Stel, iemand vraagt een ander ’ik wil je mes lenen’ en de ander zegt ’nee’. De volgende dag vraagt die ander: ’ik wil je schop lenen’ en krijgt als antwoord: ’je krijgt hem niet, net zo als jij mij je mes niet wilde uitlenen’. Dat is wraak. En wat is een wrok koesteren? De eerste man zegt: ’Leen mij je schop’, de ander weigert. De volgende dag vraagt de ander: ’leen mij jouw mes’ en de ene antwoord: ’hier is mijn mes, ik ga het je niet weigeren zoals jij mij weigerde een schop uit te lenen’. Dat is een wrok koesteren.
Rasji laat heel nauwkeurig zien hoe de twee woorden van elkaar in betekenis verschillen. Tegelijkertijd haalt hij de tekst uit de wereld van het grote geweld en brengt het over naar onze eigen leefwereld. 

Emor

Het boek Wajikra bevat maar een paar verhalen. Één van die verhalen staat in onze sidra. Een man met een Joodse moeder en een Egyptische vader vervloekt God tijdens een gevecht. Tora vertelt ons dat iemand die God vervloekt moet worden gestenigd. Niet het soort verhaal dus waar wij een warm gevoel van krijgen. Ik vrees dat, als we deze regel strikt zouden toepassen, onze sjoel nogal leeg zou zijn.  

In de midrasj (voor wie het wil nazoeken: Wajikra Raba 32:3, ook te vinden bij Rashi) staat een verklaring die dit verhaal van een andere kant laat zien. De midrasj begint met het stellen van een onschuldige vraag. "Waar kwam deze man vandaan?" En geeft als antwoord: "De man wilde zijn tenten opslaan bij de mensen van de stam Dan, de stam van zijn moeder. Iemands stam wordt bepaald door de stam van de vader. De stam Dan zei tegen hem ’Wat doe je hier’ en stuurden hem weg. Daarna ging hij naar het Bet Din, het gerechtshof van Mosjé, dat hem in het ongelijk stelde. Toen ging hij weg en vervloekte God".

In onze dagen melden zich regelmatig mensen bij ons in Sjoel met één Joodse ouder. Volgens mij wil de midrasj ons duidelijk maken dat het mede afhangt van ons gedrag en de ruimte die wij anderen gunnen wat er gebeurt met deze medemens.

Behar

Deze week lezen wij de sidra Behar. In de sidra wordt uitgelegd dat elk negenenveertigste jaar een Jubeljaar is. Aan het begin van het jaar wordt een Sjofar geblazen om "vrijheid uit te roepen in het land" (Wajikra[Leviticus] 25:10). De tekst uit deze sidra staat in vertaling op de Liberty Bell in Philidelphia en op de kopie daarvan in het Liberty Park in Jeruzalem.

Volgens de Tora moet in het Jubeljaar landbouwgrond die door de eigenaar is verkocht, worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Ook moeten mensen die, wegens armoede, zich in slavernij hebben verkocht, worden vrij gelaten. De sidra legt uit hoe dat precies moet gaan werken. De waarde van een stuk grond of van een mens moet bij verkoop worden bepaald aan de hand van het aantal jaren tot het volgende Jubeljaar. Huizen in een stad vallen buiten het systeem.

In onze eigentijdse discussie over de rol van religie in onze samenleving, hoor je wel zeggen dat godsdienst leidt tot onvrijheid. Dat kan in specifieke gevallen best zo zijn: religie is in onze wereld vaak genoeg ingezet als gereedschap, evenals andere denksystemen. Mensen die uit zijn op onderdruking, hebben nooit een tekort aan drogredenen op grond waarvan men meent de medemens hun rechten te mogen ontnemen.

Vrijheid, de mogelijkheid om als vrij mens God te dienen, maakt deel uit van de basis van het Jodendom. De sidra vertelt ons dat menselijke vrijheid bewaakt en bewaard dient te worden, samen met het recht op bestaansmiddelen. De gedachte dat menselijke vrijheid een grondrecht is, heeft, via de Tora, grote invloed gehad op het Westerse denken.

Bemidbar

Deze week lezen wij de sidra Bemidbar, de eerste sidra van het gelijknamige boek. Zoals de Latijnse naam (Numeri) van het boek duidelijk maakt, bestaat het begin ervan voornamelijk uit getallen. De sidra beschrijft een volkstelling en de opstelling van de stammen rond de Misjkan, de Tabernakel. 

De eerste zin van de sidra geeft heel nauwkeurig de tijd en plaats van handeling: "De Eeuwige sprak tot Mosjé in de woestijn Sinaï in de Tent van Samenkomst, op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar van de uittocht uit Egypte."(Bemidbar [Numeri] 1:1). Negen hoofdstukken verder begint de tekst met "De Eeuwige sprak tot Mosjé in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar van de uittocht uit Egypte, in de eerste maand."(Bemidbar [Numeri] 9:1). Hoofdstuk 9 speelt zich dus af in de maand voor hoofdstuk 1. 

De rabbijnen van de talmoed (Pesachim 6b) gebruiken deze citaten om te bewijzen dat de Tora niet strikt chronologisch gelezen moet worden. Er is geen "vroeg" of "laat" in Tora. Ze bedoelen daar niet alleen mee dat een verhaal soms in een afwijkende volgorde wordt verteld, maar gebruiken dit om een tamelijk radicale manier van lezen uit te leggen. De rabbijnen uit de tijd van de Talmoed leggen teksten uit Tenach uit, en vullen details aan, door ze te verklaren aan de hand van andere teksten. Niet alleen worden eerdere teksten uitgelegd met latere, maar ook latere worden toegelicht aan de hand van eerdere. De psalmen van David kunnen het verhaal van Awraham helpen begrijpen, of de Spreuken van Salomo de gebeurtenissen op de berg Sinaï. Dit levert vaak bijzondere leeswijzen op, waarbij de letterlijke tekst naar de achtergrond verdwijnt en plaats maakt voor een lezing die meer betekenis heeft in de tijd dat deze ontstaat. En dat is de wereld van de Midrasj. 

Naso

De sidra van deze week is Naso. Het is de langste sidra van Tora en bevat verschillende onderwerpen. De sidra eindigt met de ingebruikname van de Misjkan, het draagbare Tempeltje. Een van de onderwerpen die in deze sidra worden behandeld is de “Nazir”. In de tijd dat de tempel nog stond, kon een persoon vrijwillig op zich nemen om een periode van zijn leven een speciale wijding te geven. De Tora noemt drie uiterlijke eigenschappen. De Nazir mag geen wijn drinken of wat dan ook van de wijnstok eten. Hij laat zijn haar niet knippen en mag zich niet verontreinigen door in de buurt van een dode te komen. Na afloop van de periode van de gelofte moet de Nazir zijn haar knippen en een zonde-offer brengen.

De Talmoed vraagt waar het zondeoffer voor nodig is en antwoordt dat dit is omdat de Nazir zich het genoegen van de wijn heeft ontzegd. Des te meer (zegt de Talmoed) zondigt iemand die zich allerlei andere genoegens ontzegt.

Iedereen weet dat het Jodendom van ons vraagt dat wij ons leven op een speciale manier invullen. Daarbij is er natuurlijk ook van alles dat wij geacht worden ons te ontzeggen. De spijswetten, en de Sjabbat-regels geven een kader aan het leven. De Joodse traditie benadrukt echter ook dat het belangrijk is om maat te houden. Groot vertoon van vroomheid buiten datgene dat de traditie van ons vraagt wordt afgewezen. In het Jodendom zien wij God als de schepper van de wereld. De schoonheid van de natuur, de genoegens die de schepping ons kan bieden, hebben een Goddelijke oorsprong. Door van je leven te genieten (met mate), doe je dus ook Gods wil en breng je heiligheid in je leven.

Beha’alotecha

De Sidra Beha’alotecha speelt zich af in de eerste maanden van het tweede jaar van de uittocht. Het geeft instructies voor de verplaatsingen van het kamp en beschrijft de eerste stappen op de tocht van (nog) 39 jaar naar het beloofde land, samen met de eerste problemen van die reis. De sidra begint echter met iets dat een staartje lijkt van de vorige Sidra. Het is de opdracht van de Eeuwige aan Mosjé om Aharon te vertellen hoe hij de Menora, de kandelaar in de Tempel, moet aansteken.
Jalkoet Sjimoni, een midrasjbundel uit de middeleeuwen, vraagt zich af waarom de Menora zeven olielampen had. Was het parallel aan de zeven planeten die men in de oudheid onderscheidde? (De maan, Mercurius, Venus, de zon, Mars, Jupiter, Saturnus). Of misschien wel wegens de zeven dagen van de week? Wat was het doel van de lichten. Voor verlichting was het niet nodig. Waren ze ter ere van de mens of ter ere van God?
De Midrasj legt uit dat God de zon, de maan en de sterren voor de mens heeft geschapen en zelf geen licht nodig heeft. De opdracht om de lichten in de Tempel aan te steken, is echter wel een manier om nu eer aan de Eeuwige te bewijzen, iets terug te doen als het ware. Later, in de eindtijd zal de Eeuwige ook weer een nieuw licht over Israël doen schijnen (Zie onze siddoer ’Or chadasj al Tsion ta’ir..’, blz 268, 269).

Sjabbatlichten komen in Tenach niet voor. Wanneer het gebruik ontstond om speciale Sjabbatlichten aan te steken is onduidelijk. Het is echter niet meer weg te denken uit ons Joodse leven en uitgegroeid tot een van de centrale gebruiken in ons Jodendom. Een duidelijke basis in Tora ontbreekt echter. Mischien is dat wel de reden dat Jalkoet Sjimoni, bij het bespreken van het licht in de Tempel ook spreekt over het licht van de Sjabbat.

Het licht van Sjabbat is vooral een teken van vreugde. Het is ook een symbool van vertrouwen in de toekomst. Als wij Sjabbat maken door aan onze tafels lichten aan te steken en de beracha over de wijn en het brood te zeggen, houden wij de Sjabbat levend, voor onszelf en voor degenen die na ons komen. In de woorden van Jalkoet Sjimoni:"Welk licht zal de Heilige Geprezen zei Hij in de toekomst over Israel laten schijnen? Het licht van de rechtvaardigheid (Tsedaka). En waarom gebeurt dat? Wegens de lichten die zij op Sjabbat aansteken.

Pinchas

In Pinchas, de sidra van deze week, duikt een naam op van een bijzondere persoon waar wij eigenlijk niets van weten. Serach, de dochter van Asjer, wordt genoemd tussen een lange lijst van namen van mannen in een volkstelling van degenen die in leven zijn aan het eind van de tocht door de woestijn. Dat is bijna veertig jaar na de uittocht uit Egypte. In Tora komt deze vrouw al eerder voor. In Bereshit [Genesis] 46:17 wordt zij samen genoemd met de mensen die naar Egypte gaan. Tussen deze "intocht" en de uittocht zat meer dan 200 jaar. Serach moet een bijzondere persoon geweest zijn, anders zou haar naam niet genoemd worden tussen al die mannen. En ze moet nogal oud geworden zijn. Wie weet leeft ze wel eeuwig?

Onze midrasj-literatuur probeert op verschillende plaatsen ons gebrek aan kennis over deze speciale vrouw aan te vullen. Er zijn heel veel verhalen over haar, zoveel dat ik er maar een paar kan vertellen. 

Over de jonge jaren van Serach wordt verteld dat zij het was die uiteindelijk Ja’akov durfde vertellen dat Josef nog leeft. Ze deed dat door te wachten tot Ja’akov in gebed was en dan, voorzichtig, te zeggen "Josef leeft in Egypte en heeft twee zonen die op zijn knieën geboren zijn...". Volgens één van de versies van deze midrasj antwoordde Ja’akov haar met de zegen: "moge de lippen die deze woorden spraken, nooit de smaak van de dood kennen". Vandaar haar eindeloze leven. 

Een verhaal over iemand die misschien wel altijd leeft, is een aanleiding voor veel verhalen. Onze literatuur van uitleg heeft van alles te zeggen over de wereld van Tenach, soms gebaseerd op niet veel anders dan onze fantasie. Soms kom je, verstopt in onze literatuur, juist weer zelfkritiek tegen op onze cultuur van ongebreidelde interpretatie. Het allermooist natuurlijk, wanneer die kritiek verpakt is in de vorm van de Tenach-uitleg die het zelf weer bekritiseert. 

In Pesikta deRav Kahana 11:13 lezen wij: Rabbi Jochanan leerde over de wateren van de schelfzee die tot een muur werden. Rabbi Jochanan zei dat de muren als netten waren, je kon er doorheen zien. Serach, de dochter van Asher hoorde dat Jochanan zeggen en zei: "Ik was erbij, het was anders, het was alsof ze licht gaven!". 

Masé

De sidra "Masé" (de laatste van het boek Bamidbar) begint met een lijst van halteplaatsen die het volk Israël heeft aangedaan tijdens de tocht door de woestijn. Het is nogal een lange lijst, waarvan de meeste namen mij niet veel zeggen. "Yotwata" klinkt mij persoonlijk nog bekend, restaurants met die naam zijn voor mij ook vaak een halteplaats wanneer ik in Israël ben. Maar wat ik met namen als "Liwnah", "Rissah", "Charadah" of "Har Shefer" moet, weet ik niet. 

Gelukkig ben ik niet de enige met deze vraag. De Midrash, de Tenach-commentaren uit het eerste millennium, vraagt zich al af waarom Mosjé deze lijst moest opschrijven, precies zoals de Eeuwige hem die dicteerde. Zoals gebruikelijk, geeft de Midrash een hele reeks antwoorden. Één daarvan is, dat de Eeuwige deze plaatsen in de woestijn aan het einde der tijden speciaal zal belonen met planten en bloemen, juist daarom omdat ze gastvrijheid hebben verleend aan het Joodse volk op doortocht. Ze staan dus in Tora om ons te leren hoe belangrijk gastvrijheid is.

Dewarim

Wij lezen deze week de eerste hoofdstukken van het vijfde boek van de Tora. Het boek Dewarim [Deuteronomium] heeft de vorm van een aantal lange redevoeringen van Mosjé, uitgesproken terwijl het volk zich klaar maakt om Eretz Israel binnen te trekken. De redevoeringen vormen een samenvatting en herduiding van de verhalen van de vier voorgaande boeken. Het boek is onderdeel van Tora, maar is tegelijkertijd ook te lezen als het eerste commentaar op de Tora. In 2 Koningen 22 wordt verteld over een boekrol die tijdens de regering van koning Josia (zevende eeuw voor de gewone jaartelling) werd gevonden. Vaak wordt die vondst in verband gebracht met het ontstaan van het boek Dewarim. 

In de sidra van deze week staat een tip voor een mogelijke vakantiebestemming. In hoofdstuk 3, vers 10 tot 12 wordt de verovering van Bashan beschreven. De koning van Bashan, Og, was de laatste van de oer-reuzen, de Refa’im. 

Wanneer wij Tenach lezen, spelen drie tijdsperioden een rol. Tenach vertelt ons over de vroege tijd van het volk Israel. Er worden verhalen over lang vervlogen tijden verteld. De verhalen worden ons verteld door anonieme vertellers waar wij niet veel van weten. De tijd waarin deze vertellers leefden, vormt de tweede coulisse in de verhalen. Tegelijkertijd zijn wij als lezer aanwezig in de verhalen, met onze eigen verbeelding en onze behoefte om antwoorden op onze vragen te vinden. Als lezer proberen wij vaak de verhalen te begrijpen in de wereld waarin ze ontstaan zijn en willen wij een verband maken tussen de verhalen, de wereld van vroeger en onszelf. De anonieme verteller speelt in ons denken vaak alleen een rol op de achtergrond. 

Een enkele keer komt in Tenach de verteller, met zijn eigen tijd, expliciet om de hoek kijken. Bijvoorbeeld in Dewarim 3:11, waar ons verteld wordt over het legendarische ijzeren bed van de reus Og, meer dan drie meter lang, dat blijkbaar in de tijd van de verteller nog te zien was in Bashan. Mogelijk wil de verteller het verhaal over de overwinning op de mythische reus, de laatste die de tijd van de zondvloed heeft overleeft, meer kracht bijzetten. Wie weet is het bed er nog als je goed zoekt... 

Waètchanan

In de Joodse kalender heet de periode vóór Tisja be-Aw (de 9e Aw, deze week dinsdag) "de drie weken". Het zijn weken van inkeer waarin traditioneel allerlei rouw-gebruiken in acht worden genomen, ze gelden als de somberste in het jaar. Na de 9e Aw beginnen de zeven weken van troost die zijn hoogtepunt uiteindelijk vinden in de Hoge Feestdagen. 

Zoals jullie ongetwijfeld weten, lezen wij op Sjabbatmorgen na de sidra van de week een stuk uit de profeten (de haftara) dat gewoonlijk min-of-meer aansluit bij het thema van de sidra. In de periode van drie weken vóór, en zeven weken na Tisja be-Aw is dat echter niet het geval, de haftara sluit dan aan bij de sfeer van de week. Wij hebben in de afgelopen weken haftarot gelezen waarin het volk Israel voornamelijk wordt gewezen op zijn falen en opgeroepen wordt tot terugkeer. In de komende weken lezen wij haftarot van troost. De haftara van deze week is de meest expliciete van deze teksten en begint met de woorden "Nachamoe, nachamoe ami", "Troost, troost, Mijn volk". De Sjabbat heet naar deze haftara, Sjabbat Nachamoe. 

De Joodse kalender verbindt historische gebeurtenissen met de landbouwkalender, zoals bij Pesach en Soekot. Voor ons in West-Europa is de zomer gewoonlijk een periode van rust, waarin wij ons koesteren in de leven-gevende zon. In het Midden Oosten is de zon echter eerder een bedreiging. In de gebeden en gedichten die wij tijdens de dienst zingen, is de zon gewoonlijk een symbool van God’s macht en koningschap. Schaduw en dauw (Tsél en Tal) worden juist gezien als symbolen van God als beschutter en de behoeder van het leven. Tisja be-Av herdenkt de val van de Tempel en valt in de periode waarin de volle zon de aarde verschroeit. Het eind van de zomer, de periode van het jaar waarin wij de schaduwen weer langer zien worden, is in de Joodse kalender de periode waarin hoop op een goede toekomst toeneemt.

 

Sjoftim

De sidra Sjoftim maakt deel uit van het boek Dewarim waarin de redevoeringen van Mosjé staan opgetekend. Vóór het volk het land binnentrekt, geeft hij een samenvatting, en op veel plaatsen een her-duiding, van de wetten van Tora. Veel van de wetten van deze sidra gaan over zaken die wij "bestuurlijk" zouden noemen.
Het begin van de sidra is een oproep om rechters (Sjoftim) en gerechtsambtenaren (Sjotrim, in modern Iwrit betekent het "politieagenten") aan te stellen en eerlijk recht te spreken. De alinea eindigt met "Tsedek, tsedek tirdof". Deze woorden en de rest van de zin kun je vertalen als: "Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je najagen opdat je in leven kunt blijven en het land in bezit kunt nemen dat de Eeuwige, je God, je geeft".
Twee keer Tsedek, dat moet op twee verschillende betekenissen duiden. Het zijn vaak dit soort simpele zinnetjes in Tenach die aanleiding zijn voor heel verschillende interpretaties. Ik geef er nu twee. De rest is voor een volgende keer.
De eerste interpretatie is te vinden in Targoem Jonathan. "Waarachtig recht en recht van vrede moet je najagen". Misschien bedoelt deze vertaling dat recht spreken alleen niet altijd voldoende is maar dat er ook een hoger niveau van recht is, waarbij vrede tussen mensen wordt nagestreefd.
De tweede citeer ik omdat we in de maand Eloel zijn aangekomen, de maand waarin wij ons voorbereiden op de Hoge Feestdagen door onszelf te onderzoeken. Ramban zegt: Twee keer "Tsedek": als je jezelf beoordeelt, blijf je leven, zo niet dan word je beoordeeld en schiet je (mogelijk) te kort.

Ki Tawo

De sidra Ki Tawo begint met twee uitgebreide mitswot, die te maken hebben met regels voor landbouwproducten. De eerste is een tekst over eerstelingen die naar de tempel gebracht moeten worden en aan een Kohen moeten worden aangeboden. De tweede gaat over de "tienden", het tiende deel van de opbrengst dat ieder derde jaar aan Levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen gegeven moet worden. Deze vier groepen zijn hier de representanten van de zwakkeren in de samenleving, mensen die niet behoren tot een familiegroep die voor hen verantwoordelijk is. De tienden die de boer aan hen afstaat, zijn tegelijkertijd een gift aan God en hebben een zekere heiligheid, er moet nauwkeurig mee worden omgegaan. Dat Levieten hier genoemd worden, verdient uitleg. Levieten krijgen in Tora geen deel toegewezen in het land Israel, ze hebben geen opbrengst van hun land maar dienen in de Tempel en leven van hetgeen de bevolking hen toebedeelt. 

De tekst van onze sidra schrijft voor dat de boer, wanneer hij klaar is met het uitruimen en weggeven van de tienden voor de armen, een gebedstekst opzegt. In de eerste helft van de tekst verklaart de boer dat hij, als individu, de tienden op precies de goede manier heeft gebracht. In de tweede helft vraagt de boer om Gods zegen, niet voor hemzelf, maar voor het hele land en het hele volk. Rasji, onze belangrijkste middeleeuwse Bijbelcommentator, zegt dat de boer in de eerste helft van de tekst zegt dat hij zich aan de afspraken van het verbond heeft gehouden en in de tweede God vraagt zich aan zijn belofte te houden: regen op de juiste tijd.
De tweede helft is een vraag om collectieve zegen. In onze Joodse traditie is het de regel geworden dat wij in de standaard-gebeden die wij zeggen, zowel thuis als in sjoel, niet vragen om Gods zegen voor onszelf alleen maar altijd voor heel Israel of de hele mensheid. Precies zoals wij, over een paar weken in de gebeden van Rosj Hasjana en Jom Kippoer, collectief onze zonden zullen belijden en samen om vergeving vragen. Verantwoordelijkheid voor elkaars lot zien wij in het Jodendom als een belangrijke menselijke waarde. Misschien wel de belangrijkste. 

 

 

Nieuws

De Rabbijn legt uit: Betekenis ... Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: koninklijke onderscheiding Bram & Yvonne Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Oneg Sjabbat 2017 Lees meer >>

oktober

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31