Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

27 september 2021 | 21 Tishri 5782

Beha'alotcha

Beha'alotcha

Rasji begint zijn commentaar op de sidra van deze week met een uitleg over de structuur van Tora: “Waarom volgt het tekstgedeelte over de menora (de zevenarmige kandelaar) op het tekstgedeelte over de leiders (van de stammen die offers brengen voor het in gebruik nemen van de Tabernakel)? Omdat toen Aharon de inwijding (van de Tabernakel) door de leiders zag, het hem zwaar te moede werd omdat hij daar geen deel van was, van het inwijden. Noch hij, noch zijn stam Levie. Toen antwoordde de Heilige geprezen is Hij Aharon en zei: “Ik beloof je zeker, jouw deel is groter dan dat van hen, want jij steekt de lichten aan en onderhoudt deze steeds”.

Aan het eind van de sidra van vorige week werden door vertegenwoordigers van twaalf stammen uitgebreide offers gebracht voor de ingebruikname van de Misjkan, de Tabernakel, het draagbare Tempeltje dat in de woestijn gebruikt werd. De stam Levie was daar niet bij. Ik ga twee vragen beantwoorden. Op de eerste plaats de technische vraag hoe het kan dat er twaalf stammen zijn maar dat de stam Levie daar niet bij was. En op de tweede plaats, ga ik proberen uit te leggen wat Rasji bedoelt met zijn woorden en wat die voor ons kunnen betekenen.

Op de eerste plaats de twaalf stammen. Zoals jullie weten, had Ja’akov twaalf zoons die in Tora worden gezien als de stamvaders van de twaalf stammen, Levie is één van die zoons. Echter, bij de verdeling van het land krijgt de stam Levie geen deel. De stam Levie gaat in de steden wonen en doet de dienst in de Tempel. In de oudere boeken van Tenach (de Hebreeuwse Bijbel) hebben de leden van de stam Levie op meer plaatsen functies in tempels. Uiteindelijk worden de meeste tempels en offerplaatsen afgeschaft en krijgt de sub-stam Kohen de leiding over de tempeldienst in Jeruzalem, de overige leden van de stam Levie krijgen een dienende taak in de Tempel. Alle lijsten in Tora hebben echter twaalf stammen. Als Levie er niet in voorkomt, wordt de stam Josef in tweeën gesplitst, in Efra’im en Menasje. Het boek Bemidbar [Numeri] kijkt al vooruit naar de intocht in het land en laat dus deze ordening zien. Vandaar.

Rasji refereert in zijn commentaar waarschijnlijk aan een midrasj die wij terugvinden in Bemidbar Raba, (Beha’alotcha 6). Daar zegt God tegen Aharon: “Zolang de Tempel overeind staat, zal het gebruik zijn om offers te brengen (zoals de twaalf stammen deden), maar het licht zal altijd branden”.

Ik hoor jullie zeggen: “Hoezo, 'altijd branden'. Na de verwoesting van de Tempel branden de lampen van de menora toch niet meer?”. Het klopt. De menora in de Tempel brandt niet meer en in onze synagogen branden we geen zevenarmige kandelaars meer. De midrasjim zijn echter ontstaan in het eerste millenium. We weten uit opgravingen dat in die tijd nog wel menorot met zeven armen in synagogen voorkwamen. De afbeelding bij dit stukje is van een menora uit de antieke synagoge van Ein Gedi. Misschien bedoelt de midrasj dat gewoon. Offers worden niet meer gebracht, de menora nog wel aangestoken, in de sjoel in het eerste millenium.

Maar misschien bedoelt de midrasj ook wel iets groters. In de tekst die volgt in Bemidbar Raba, wordt een verband gelegd met Birkat Kohanim, de Priesterzegen die nog steeds een belangrijk deel uitmaakt van onze dienst. Is dat de rol van Aharon die groter is dan die van alle andere stammen? Misschien moeten we het nog verder trekken en is het het licht dat wij gaande houden, wanneer wij thuis sjabbat maken of de kaarsen aansteken in sjoel. Het licht dat wij van generatie op generatie door willen geven.

Nieuws

Fotoalbum toegevoegd: Dagtocht Rotterdam op 25 augustus 2019 Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Poerim 5780 Lees meer >>
De Rabbijn legt uit: Offer... Lees meer >>

september

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30