Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

27 september 2021 | 21 Tishri 5782

Kie Tavo

Kie Tavo

“Lernen”, de traditionele vorm van studeren in het Jodendom, is een belangrijk deel van onze cultuur. Iets leren, zoals op school of op een cursus, doe je gewoonlijk met een speciaal doel. Je wilt iets kunnen of weten waarmee je later je voordeel kunt doen. Of je wilt simpelweg in staat zijn een examen te halen en een diploma te krijgen waarmee je nieuwe mogelijkheden hebt. Er zijn ook mensen die voor hun plezier leren, bijvoorbeeld als tijdverdrijf in de derde levensfase. Studie heeft in al deze gevallen een praktisch doel.

Jodendom is best ingewikkeld. Als je een Joods leven wilt leiden, is er veel om te leren. Het is handig om, op zijn minst, de letters van het Hebreeuwse alfabet te kennen. Je moet weten welke feestdagen er zijn en wat er op die feestdagen gebeurt. Als je je makkelijk wilt bewegen in een meer traditionele omgeving, heeft het zin om de belangrijkste regels van kasjroet en sjabbat te kennen, nog los van de vraag of je je daar ook aan wilt houden. Het is niet voor niets dat wij van mensen die Joods willen worden, vragen om twee jaar op les te gaan. De meeste mensen die naar de Joodse Basiskennis (JBK) cursus in Amsterdam gaan, doen dat om die reden. De cursus is ook open voor mensen die al lid van onze gemeenten zijn. Ik weet dat het verschillende mensen die al lid zijn van onze gemeenten eigenlijk ook veel goed zou doen om daarheen te gaan.

Joods “lernen” heeft een ander doel. Onze traditie zegt dat “lernen” “Le-Sjem Sjamajim” hoort te zijn, voor God. Dus niet om iets te kunnen en (hoewel dat moeilijk te voorkomen is bij serieuze studie) ook niet werkelijk om iets te weten te komen. “Lernen” is een vorm van eredienst. Je kunt het vergelijken met het zeggen van de standaardgebeden in de dienst. “Lernen” krijgt daarmee een aspect van een offer, je offert je tijd en woorden aan de Eeuwige.

De sidra van deze week speelt zich af op de grens tussen de woestijn en het Beloofde Land. In de tekst wordt gezegd dat je, wanneer je in het land bent aangekomen, van de eerste opbrengst van het land moet nemen en die in een mand moet doen. Met die mand zal je dan naar de Tempel gaan om deze aan te bieden aan de Kohen die daar dan is. Je offert van je eerste opbrengst aan God. Wij lezen dat als iets dat je niet eenmalig moet doen, maar dat je bij iedere oogst moet herhalen. De eerstelingen werden ieder jaar naar de Tempel gebracht.

In “Or Hachajim” (Chaim ibn Atar, 1e helft 18e eeuw) vond ik een opmerking over het woord “Tene”, mand. De letterwaarde van het woord is 60, (ongeveer) gelijk aan het aantal masechtot (delen) van de Misjna. Een mand, leggen onze commentatoren ons uit, is een ding met gaten, je kunt zien wat er in ligt. De eerstelingen die je moet brengen, horen dan ook mooie vruchten te zijn die er feestelijk uitzien.

Er is geen Tempel meer en de meesten van ons bewerken het land niet meer. Maar voor ons kan het lernen, zoals van de Misjna, de plaats innemen van het brengen van eerstelingen. Tijdens lernen laten we elkaar zien wat wij het mooiste vinden in onze traditie. Dat is de eerste opbrengst. En het is nog leuk ook.

Nieuws

Fotoalbum toegevoegd: Dagtocht Rotterdam op 25 augustus 2019 Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Poerim 5780 Lees meer >>
De Rabbijn legt uit: Offer... Lees meer >>

september

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30