Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

20 augustus 2019 | 19 Av 5779

Waètchanan

Waètchanan

De sidra Waètchanan is het vervolg van de redevoering van Mosjé waarin hij verder vertelt over wat er is gebeurd in de woestijn. Onze sidra bevat zowel de Tien Woorden (de Tien Geboden) als het eerste deel van het Sjema, de centrale elementen van de openbaring van de Eeuwige aan het Joodse volk.

Wanneer wij op Sjabbat uit de Tora lezen, spelen wij “Matan Tora”, het ontvangen van de Tora op de berg Sinaï na. Vanaf de bima, de verhoging in sjoel, wordt de sidra (het gedeelte uit de Tora van die week) voorgelezen. Rond dat voorlezen speelt zich een heel toneelstuk af waarbij verschillende mensen naar voren worden geroepen. Ze spreken een beracha, een korte gebedstekst uit waarna de Ba’al Koré, als het ware uit hun naam, een stuk voorleest. Voor het voorlezen bestaan strikte regels. De tekst moet foutloos worden voorgedragen. Er wordt niet gelezen maar “gelajend”, gecantilleerd op een door de traditie voorgeschreven wijze.

In Dewarim [Deuteronomium] 4:12 staat: “En de Eeuwige sprak tot jullie vanuit het midden van het vuur; een klank van woorden hoorden jullie, maar een gestalte zagen jullie niet, er was alleen een stem”. Een paar regels verder staat (vers 15): “Jullie moeten erg goed op jezelf passen – want jullie hebt toch helemaal niets van een gestalte waargenomen op de dag dat de Eeuwige met jullie op de berg Chorev midden uit het vuur gesproken heeft”. Chorev is een andere naam voor Sinaï. Het woord dat hier als “klank” wordt vertaald, is “kol”, hetzelfde woord dat “stem” betekent. Tot drie keer toe wordt dus gezegd dat er alleen een stem was.

Onze traditie benadrukt de rol van het gesproken woord ten opzichte van het geschreven woord. In het Rabbijnse Jodendom wordt onderscheid gemaakt tussen de “Tora sjè-bi-chetav”, de geschreven Tora, de Tora in engere zin of soms ook heel Tenach, de Hebreeuwse Bijbel aan de ene kant en “Tora sjè be-al-pé”, de mondelinge Tora. De mondelinge Tora omvat alle traditie van het Jodendom die ontstaan is vanaf het moment dat de geschreven Tora werd gegeven, alle commentaren op de Tora maar ook alle andere literatuur waarin het Jodendom probeert te begrijpen wat de betekenis is van de ontmoeting met de Eeuwige. Van oorsprong werd de mondelinge leer niet opgeschreven. Zelfs de Misjna en de Talmoed, de basisbronnen van de halachische ontwikkeling, werden oorspronkelijk mondeling doorgegeven. Pas aan het eind van het eerste millennium werd het gebruikelijk de teksten niet van een leraar, maar uit een boek te leren.

Sefer ha-Bahir(13e eeuw), een van de oudste kabbalistische werken, ouder dan de Zohar, bevat een uitleg van ons vers uit Dewarim in de vorm van een Midrasj. “(Stel je voor:) het is als een koning die voor zijn knechten staat, gekleed in een wit gewaad. Dat is niet voldoende om de eerbied voor de koning op te wekken. Wel als hij afstand houdt en ze alleen zijn stem horen” (in de uitgave van Buber par. 31).

De Bahir gaat uit van verschillende niveaus waarop wij God kunnen kennen. Wij kunnen de Eeuwige ontmoeten als een eenvoudige gedaante (gekleed in het wit) waarmee wij in gesprek kunnen gaan. Wanneer God echter zijn autoriteit aan ons wil laten kennen, neemt Hij afstand en horen wij alleen een stem.

Helaas is het zo dat wij de woorden van Tora niet meer begrijpen wanneer wij deze alleen horen. We hebben een tekst in vertaling nodig om te kunnen volgen wat er op Sjabbat wordt voorgelezen. Maar eigenlijk zijn het niet de gedrukte woorden in de Choemasj of Tenach waarin de Eeuwige aanwezig is. De werkelijke Tora is voor ons alleen beschikbaar door middel van de met autoriteit gesproken woorden van een medemens. 

Nieuws

De Rabbijn legt uit: E-mails ... Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Poerim 5779 Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: 50-jarig Jubileum LJG Lees meer >>

augustus

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31