Liberaal Joodse Gemeente Rotterdam.

11 december 2019 | 13 Kislev 5780

Wajechi

Wajechi

In onze sidra wordt de dood van Ja’akov uitgebreid geschilderd. Maar liefst drie verhalen zijn verbonden met zijn dood. In het eerste verhaal laat Ja’akov Josef zweren dat hij hem in Kanaän, in de grot Machpela zal begraven. Het tweede verhaal is mogelijk vooral bekend geworden door het prachtige schilderij van Rembrandt, waar wij kunnen zien hoe Ja’akov de twee kleinkinderen van Josef zegent, met zijn handen kruislings. Het derde is niet zozeer een verhaal als wel een lang gedicht waarin Ja’akov al zijn zoons zegent. Of eigenlijk, meer vertelt hoe het in de toekomst met de stammen zal gaan. En dat is niet altijd zegenrijk.

Ik haal deze keer een detail uit deze sidra. Aan de zegen van de twee zoons van Josef gaat een inleiding vooraf waarin Ja’akov zijn relatie met God, zijn vader en grootvader beschrijft.
“De God in wiens paden mijn voorouders Awraham en Jitschak gegaan zijn, de God die herder was van eerst tot aan deze dag…” (Beresjit [Genesis] 48:15).

Wanneer Ja’akov de relatie van zijn voorouders met God beschrijft, gebruikt hij het woord dat ook in het scheppingsverhaal voorkomt, wanneer God in de avondwind door de tuin loopt. Er is iets kalms en intiems in het woord dat je ook zou kunnen vertalen met “samen wandelen”. De relatie van Ja’akov met God is anders, meer hiërarchisch, zoals tussen een herder en de kudde die hij leidt.

De basis van de interpretatie van Mordechai Josef Leiner In Mé Hasjiloach is de (in de traditionele commentaren gebruikelijke) gedachte dat de aartsvaders, hoewel ze de Tora natuurlijk nog niet hadden, zich toch hielden aan alle mitswot. De achterliggende vraag is dan, hoe de aartsvaders wisten wat ze moesten doen. Wanneer Ja’akov zegt dat zijn voorouders wandelden met God, bedoelt hij (volgens Leiner) dat Awraham en Jitschak zulke bijzondere mensen waren dat ze zonder meer inzicht hadden in de betekenis en de details van de mitswot. Ze wisten gewoon wat ze moesten doen, zonder dat hen dat verteld moest worden. Ja’akov ziet zijn relatie met God als van een andere aard. Ja’akov wist niet door kennis en inzicht wat de mitswot waren, maar had daar God’s leiding voor nodig.

Mogelijk idealiseren wij de manier waarop vorige generaties hun Jodendom beleefden. Het is echter wel zeker dat ons leven minder “Joods” is dan dat van onze voorgangers. Wij leven in een complexe wereld waarin allerlei informatie onze aandacht vraagt en van ons vraagt ons leven steeds opnieuw vorm te geven. Inzicht en kennis van Joodse zaken vormt maar een klein deel van de kennis en vaardigheden die wij in ons leven verwerven. Het vertrouwen en de zekerheden van de aartsvaders en –moeders zijn voor ons een verre herinnering.

Hoe is onze relatie met ons Jodendom? Kunnen wij ons laten inspireren door Ja’akov’s woorden? Verzamelen wij zekerheid door kennis en inzicht? En zijn wij in staat om iets in ons leven te brengen van de manier waarop Ja’akov terugkijkt op zijn leven en de liefdevolle leiding die hij van God heeft ervaren?

Nieuws

De Rabbijn legt uit: Vechten met God/jezelf... Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: 50-jarig Jubileum LJG Lees meer >>
Fotoalbum toegevoegd: Dagtocht Rotterdam op 25 augustus 2019 Lees meer >>

december

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31